Home

Zoeken

De zeven hoofdwoorden Print E-mail

De zeven hoofdwoorden

Woord index:

1.  h y h - HáJáH
(er zijn, geschieden)

Het woord dat voorrang heeft boven alle woorden is het werkwoord h y h (hájah) of eigenlijk: h y w h (hawjah: geschieden, aanwezig zijn). Het zou op zich zelf al voorrang moeten hebben omdat het één van de meest voorkomende Bijbelwoorden is: 3549 keer! Er is maar één woord dat hájáh in dit opzicht ver overtreft:  r m a (‘ámar: zeggen, spreken), dat het respectabele getal haalt van 5298! Hájáh en ‘ámar hebben ook iets met elkaar. Meteen in het eerste Bijbelhoofdstuk worden ze gekoppeld: ‘en God zei: er geschiede licht!’, ‘en God zei: er geschiede uitspansel!’, ‘en God zei: er geschiede lichten aan het uitspansel’ (Gen. 1:3,6,14). Het spreken van God brengt de geschiedenis op gang, de scheppingsgeschiedenis en de menselijke geschiedenis!

Maar niet alleen getalsmatig, het woord háwjáh ook en vooral voorrang omdat uit dit werkwoord de Unieke GodsNaam is gevormd: JHWH. De Vierletters van de Naam zijn te zien als een compacte weergave van de drie werkwoordsvormen: h y h (Hájáh: Hij is geschied, Hij was Aanwezig), h y, h. yi (JihjeH: Hij zal geschieden, Hij zal er zijn) en h w, ho (HoWeh: Hij is geschiedende, Hij is Aanwezig). Als Israëls God over Zichzelf spreekt, benoemt Hij Zich in de eerste persoonsvorm: h y h a  (‘Ehjeh: Ik ben Aanwezig). Op de vraag van Mozes, wat hij tegen het volk moet zeggen, antwoordt God: ‘zegt tegen de kinderen Israëls: ’Ehjeh heeft mij tot U gezonden’ (Ex.3:14).

Deze Vierletterige Naam – en dat zet het werkwoord hájáh compleet boven aan de ranglijst – is ook een compacte weergave van heel Bijbelse Boodschap. Want de kern, het hart van het Bijbels Evangelie is niet dat er ‘ergens’ een Godheid bestaat, een Hoog Verheven Grootheid die ons en ook alle andere grootheden (natuur goden en volksgoden) mateloos ver overstijgt, maar dat deze Hoog Verhevene is afgedaald naar de aarde, dat Hij aanwezig is hier en nu, dat Hij hier en nu geschiedt, gebeurt, ‘geboort’ tússen ons in als Immanuël (= God met ons) en ín ons als Shekhináh (= Inwonende Geest). Heden, hier en nu is Hij er! Is Hij hoorbaar Aanwezig als de Stem die weerklinkt in heel de schepping, maar vooral als de Stem Die opklinkt uit alle Bijbelwoorden en die resoneren wil in ieder mensenhart. Te allen tijde ‘gebeurt’ Israëls God, in verleden, heden en toekomst: Hij Die er was, is er en zal er zijn. Anders gezegd: de God der Hebreeën ‘bestaat’ niet, Hij is er, Hij gebeurt van dag tot dag, van uur tot uur, van minuut tot minuut, in allerlei ‘werkzaamheden’ en ‘hoedanigheden’.

In feite is ook heel de Bijbeltaal gebundeld in deze Vierletterige Naam. Alle 8800 Bijbelwoorden, alle werkwoorden en hoedanigheidswoorden (naamwoorden), maar ook alle voegwoorden en voorzetsels zijn betrokken of te betrekken op de NAAM. De werkwoorden zijn ‘werkzaamheden’, waarin de NAAM Zich verwerkelijkt: scheppend, bevrijdend, vergevend, liefhebbend, heiligend, bemoedigend, rechtzettend is Hij hier en nu werkzaam. De naamwoorden, de ‘hoedanigheidswoorden’ tekenen zijn Wezen: Hij is barmhartig, rechtvaardig, trouw, Hij is een Rots om in te wonen, een sterke Vesting. Zelfs het voegwoordje ‘en’ functioneert direct in de NAAM: de Waw (= en) verbindt de eerste en de tweede Hé’, maar verbindt ook Woord en Geest: onlosmakelijk zijn Die Twee verbonden.

Tenslotte is er nog een bijzonderheid met dit werkwoord há(w)jáh, waardoor het een extra kleur krijgt boven aan de ranglijst. Want het wordt gevormd door de drie allerzachtste letters uit het Hebreeuwse alfabet: de Jod, de Hé’ en de Waw. Deze drie fluisterzachte letters kunnen bovendien ‘verklinkeren’ = wegklinken in een klinker, zodat ze als letter volledig onhoorbaar zijn. De Jod kan wegklinken in de ‘i’, de Hé’ in de ‘á’ en de Waw kan verklinkeren tot een ‘u’ of ‘o’. In deze klinkervorm klinken ze mee in de vervoeging en verbuiging van alle Hebreeuwse werkwoorden en naamwoorden. Dat is bijzonder: de GodsNaamletters zijn ook de belangrijkste dienstdoende letters. De hele Hebreeuwse Bijbeltaal is wezenlijk vervlochten met de GodsNaam (meer hierover in de Alephcursus van Studiehuis Reshiet). Dat de Naam is opgebouwd uit de allerzachtste, fluisterzachte letters en dat deze letters bereid zijn tot de allernederigste ‘taaldienst’ is een verwijzing naar het Wezen van Israëls God: Hij, de Altijd en Alom Aanwezige is niet luidruchtig en opzichtig onder ons Aanwezig, maar Hij is er bij voorkeur zoals Hij kwam tot Elia als een stille fluisterstem (1Kon. 19:12).

Nog drie notities

* In veel gevallen wordt hájáh vertaald alsof het een nietszeggend koppelwerkwoord is, dat een onderwerp ‘koppelt’ aan een naamwoordelijk gezegde: de aarde was woest en ledig (Gen. 1:2), de slang was de slimste (Gen.3:1). Het Hebreeuws kent geen koppelwerkwoorden, het koppelt direct (of soms via een persoonlijk voornaamwoord) het onderwerp aan het naamwoordelijke gezegde. Het is beneden de stand van een Hebreeuws werkwoord om nietszeggend in een zin te staan. Dat geldt zeker voor het diepzinnige en zwaar geladen werkwoord: hájáh.

** ‘Hier en nu’, ruimte en tijd zijn twee gegevens die wij geneigd zijn radicaal van elkaar te scheiden: de vragen ‘waar ben ik?’ en ‘hoe laat is het?’ hebben volgens ons weinig of niets met elkaar te maken. Maar de grote natuurkundige, Albert Einstein, stelde dat ruimte en tijd in wezen één en dezelfde werkelijkheid zijn. Einstein, van Joodse afkomst, raakt met deze stelling het hart van de Hebreeuwse Bijbel: Israëls God is de eenheid van ruimte en tijd! Hij is er Hier en Nu, Hij is er Alom én Hij is er Altijd. Hij is de Altijd en Alom Aanwezige, Hij is de Maqom, de Plaats, waarin wij ons bevinden, met heel de schepping. Want de schepping is niet ergens buiten Hem geplaatst in het lege niets, maar binnen Zijn Aanwezigheid: ‘in Hem bewegen wij ons en zijn wij’, aldus de Hebreeër Paulus op de Areopagus in het hart van Griekenland (Hand. 17:28). 

*** Het gebod: ‘gij zult de Naam van de HERE Uw God niet ijdel gebruiken’ betekent letterlijk: ‘Gij de Naam niet opheffen (násá’ = opheffen, dragen, wegdragen) tot het ijdele (shaw = leegte). Wanneer heffen wij de Naam op het ijdele, tot het nietige of nietszeggende? Als we achteloos zonder innerlijke betrokkenheid deze Naam op de lippen nemen. Maar ook als wij deze uiterst geladen en zinvolle NAAM (Altijd en Alom is Hij Aanwezig, geschiedt Hij) vervangen door een vage, bijna niets zeggende term als de ‘Eeuwige’. De vervangingsnaam ‘HERE’ of ‘AdonaJ’ (liefst met hoofdletter J aan het slot) drukt respect uit en is als zodanig zeer te waarderen. Maar waarom mag het Evangelie van Gods voortdurende en allesomvattende Aanwezigheid: ‘Ik ben met u, hier en nu, bevrijdend en heiligend’, niet steeds voluit gezegd worden? Als men het niet voluit ‘AdonaJ, Altijd en Alom Aanwezig’ of ‘Ik ben met U’ wil zeggen of schrijven, waarom dan niet de Bijbelse, op zich al zeer eerbiedige VierLetterige Naam: JHWH?

Naar boven

2.  ~ y h l a - ‘Elohím
(God)

In de Hebreeuwse Bijbel is ‘él of ‘elohim een grootheid die ons ver overstijgt in ruimte en tijd. Het woord  ~ y h l a 'elohím is taalverwant met  h l"ae ‘eláh: grote boom. Wij zijn nietige wezentjes vergeleken bij een volgroeide, oude beukenboom, die hoog boven ons uitrijst, die met zijn wortels diep beneden ons is en die al jaren, soms honderden jaren voor ons bestond en die er ook nog is als wij allang gestorven zijn. Zo is de God der Hebreeën een Grootheid Die ver boven ons uitreikt in ruimte en tijd.

De Bijbel kent diverse ‘elohim, er zijn vele en veelsoortige geestelijke grootheden die boven ons uitreiken. Er zijn ‘elohim die een rol vervullen in de schepping, scheppingsengelen die in dienst van de Schepper bepaalde levensgebieden onder hun beheer hebben én er zijn ‘elohim die de geschiedenis, vooral de volkerengeschiedenis bepalen, hemelse machten, volksgoden (luchtvorsten, sarim), waarvan sprake is in Ps. 82: 1,6 en Daniel 10:13,20.

Maar de ‘Elohim der Hebreeën is een Grootheid Apart: Hij is de Schepper, ook de Schepper van deze verborgen, onzichtbare, hemelse machten. Zoals een kunstenaar ver uitreikt boven het schilderij dat hij gemaakt heeft en een componist ver boven de partituur die hij heeft opgeschreven – de schilder en de componist zijn van een andere orde, van een totaal ander soortelijk gewicht dan het schilderij en de partituur, onvergelijkbaar - zo overstijgt de God der Hebreeën al die andere ‘elohim oneindig ver: Hij is de Gans Andere! Hij is niet alleen oneindig ver verheven, maar Hij beheerst hen ook, zij zijn Zijn dienaren, Zijn legerscharen. Hij is de Heer van al die hemelse machten, Hij is de  ‘AdonaJ Tsêva`oth, de Heer der hemelse Heerscharen. Terecht proclameert het Joodse volk in alle synagogen wereldwijd, aan het begin van elk nieuw jaar aan het slot van Jom Kipur, dat hun God niet een ‘elohim is, maar zeven keer achter elkaar dat Hij de Elohim is: JHWH Hú Ha ’Elohím!                                                          

In plaats van  ~ y h l a  dat in feite een meervoudsvorm is, wordt de God der Hebreeën ook vaak aangeduid met het enkelvoudige  l ae (‘él : God, Gen. 14:18,19; 17:1).  In deze vorm valt nog duidelijker dan bij  ~ y h l a  de grote overeenkomst op met het woordje l ae (‘él : naar, tot, gericht op, Gen. 1:9;4:8). In Gen. 6:6 gebruikt God het van Zichzelf in verband met het verdriet dat Hij had over de gewelddadigheid op aarde: het pijnigde Hem tot in Zijn hart: A B li l ae (‘el libó). Wat is dan de samenhang tussen  l ae en l a,? De God van Israël, onze Schepper en Bevrijder is Degene op Wie heel de schepping gericht is en alleen in de relatie tot Hem komt ons mens zijn tot Zijn bestemming.

Tot slot, er is ook een merkwaardig letterverband tussen  ~ y h l a  en  l y a ’ajil. Een ‘ajil is een mannelijk schaap, meestal jonger dan een jaar, een lam bestemd als plaatsvervangend offerlam ter verzoening (Num. 5:8) of als offer van toewijding en heiliging van de kohens, priesters (Lev. 18:8). Het woord komt de eerste keer voor in Gen. 15:9, bij het indrukkwekkende offerritueel waarbij AdonaJ aan Abhraham verscheen in de vorm van de Vurige Fakkel in rook gehuld en waarbij de eerder gedane beloften werden bevestigd: ‘aan Uw nageslacht zal Ik dit Land geven’ (Gen. 15:17,18). Daarna is van een ’ajil weer sprake in Gen. 22:13 waar Abhraham op het beslissende ogenblik een ‘ajil zag die de plaats mocht innemen van zijn zoon Jitschaq. Dat letters van l y a ‘ajil verborgen zijn in  ~ y h l a  ‘elohim symboliseert het verborgen hart van Israëls God: Hij vereenzelvigt Zich met ons, neemt onze schuld op Zich en draagt die weg. De ‘ajil in ‘elohím verwijst ook naar het hart van de Torah, Lev. 16:21, naar het offerritueel op Jom Kipur, dat in het hart staat van de Torah, precies in het midden van het middelste Boek, dat handelt over het herstel en het onderhouden van de relatie met AdonaJ, Altijd en Alom Aanwezig.

Naar boven

4.  b h a - ‘áhabh
(liefhebben)

Het werkwoord b h a ‘áhabh dat meestal vertaald wordt met liefhebben, is één van de hoofdwoorden die ontleend zijn aan de kernzin uit Deut 6 vers 4-6:  t"b h;a" ‘áhabhtá. Wat opvallend is, maar wat opvallend weinig opgemerkt wordt, is dat deze opdracht om lief te hebben niet in de gebiedende wijs staat, maar in de voltooide tijd: ‘áhabhtá = gij hebt liefgehad! Waarom? Maar eerst een andere merkwaardigheid of moeilijkheid. Het is erg moeilijk om voor het werkwoord b h a ‘áhabh en ook voor het zelfstandige naamwoord h b h a ’ahábháh een goede vertaling te vinden. In de talen van de volken zijn er eigenlijk geen passende woorden die de diepste bedoeling van ‘áhabh en ‘ahábháh kunnen weergeven. Het Griekse woord eros is er niet geschikt voor, evenmin als het Latijnse amor waarvan het Franse amour; ook het Gothische liubh, waarvan het Duitse Liebe, het Engelse love en het Nederlandse liefde kan daar niet aan voldoen. Van al deze ‘heidense’ woorden, waarbij het Griekse eros de boventoon voert, is de grondbetekenis: het verlangen om de ander naar zich toe te trekken, zich via de ander te verwerkelijken, zich aan hem of haar te bevredigen.

De Bijbel vertalen is altijd moeilijk, elk Bijbelwoord is een unieke diamant: daar zijn geen woorden genoeg voor. Maar dat geldt zeker voor b h a ‘áhabh en h b h a ’ahábháh. Als onze hersenen van jongs af aan overspoeld en doorgespoeld zijn met liefdesliedjes, liefdesromans en liefdesfilms, ‘alles is liefde’en ‘all you need is love‘, dan kunnen we niet zonder bijgeluiden de oeropdracht uit Deut.6:5 aanhoren: gij zult liefhebben de HERE uw God, als vertaling van ^ h l a  h w h y  t"b.h;a" áhabhtá ‘HJH ‘Elohekhá. Dan klinken er onwillekeurig de restanten van de ingestampte, oud-heidense woordbetekenissen mee, die de originele, Hebreeuwse inhoud versluieren of zelfs geheel verduisteren. Wat is ‘áhabhtá? Hoe moet men dat vertalen? 

Met dit vertaalprobleem worstelden ook al de Joodse taalgeleerden in het oude Alexandrië meer dan 2000 jaar geleden. Zij hadden de taak opgevat om voor de verstrooide geloofsgenoten in de Grieks-Hellenistische wereld die de Hebreeuwse taal niet meer verstonden, de Bijbel in begrijpelijk Grieks te vertalen. Een gigantisch werk, dat van enorme betekenis is geworden voor het latere Christendom. Maar ook deze Schriftgeleerden voelden scherp aan dat de unieke betekenis van het Hebreeuwse ‘ahábháh niet te vertalen viel met het gangbare Griekse woord eros. Ook het woord philia (vriendschap) was er niet geschikt voor. Daarom hebben ze in de schatkamer van de Griekse taal gezocht naar een alternatief en zo vonden ze ergens onder het stof, in een hoekje van deze rijke taalkamer het geheel vergeten woord agape*. Dit woord kreeg later een sleutelrol in het Griekse Johannes evangelie en vooral ook in zijn brieven: `o theos agape estin (God is Liefde, 1 Joh.4:16). Zeer waarschijnlijk is het zelfs een Hebreeuws leenwoord* en het zou misschien verfrissend kunnen werken als ook wij dit leenwoord meer gingen gebruiken, nu in onze taal het woord liefde zozeer vereenzelvigd wordt met eros en erotiek. Het is opvallend dat de Joodse vertalers het woord eros maar één keer hebben gebruikt en dan staat het in verband met de driftige, erotische liefde van de heidense Baalpriesters.

Met het woord ‘driftig’ is ook wel het meest kenmerkende verschil aangeduid tussen eros en ‘ahábháh/agape. Eros is een drift**, ‘ahábháh is een keuze. Een unieke keuze. De Bijbelse liefde is geen liefde in het algemeen, maar altijd liefde in een bijzondere, unieke relatie. Abraham heeft zijn zoon Isaäk lief, zijn enige (Gen.22:2), Isaäk kreeg Rebecca lief, zijn unieke vrouw (Gen.24:67). Ook de liefde van God is altijd uniek. De bekende slogan dat God van alle mensen houdt – ‘Hij heeft iedereen even lief’ - klopt niet zonder meer. God maakt keuzes, Hij kiest voor Abram, Hij kiest voor Zijn volk Israël, Hij kiest binnen Israël voor de Levitische priesterfamilie, Hij kiest voor het geslacht van koning David. Gods liefde is een verkiezende liefde. Zijn liefde is wel wereldwijd, maar Hij start steeds bij die ene: bij de eenling Abram, bij het ene volk Israël, bij één van Davids grote zonen: ‘deze is Mijn Zoon, de geliefde’ (Matth.3:17).

Het is een keuze waar Hij ook nooit op terugkomt. De ‘ahábháh van Israëls God is niet vluchtig, niet zoals onze menselijke verliefdheid, niet zoals onze driftige eros die van de ene dag op de andere kan vervluchtigen, verdampen: ‘als jij mij niet meer kunt bevredigen, als mijn drift zich plotseling richt op iemand anders, dan is het tussen ons over en uit!’ De liefde Gods heeft de structuur van een onverbrekelijk verbond, Hij houdt vast aan Zijn Ja-Woord, aan Zijn liefdesverklaring aan Israël, ook al laat Israël Hem los en wordt het verliefd op andere ‘heren’ (baäls). In ons woord ‘houden van’ komt dit Bijbelse element van de vasthoudende liefde nog tot uitdrukking, zoals ook in ons woord ‘huwelijk’: van ‘houwelijk’ (= waar men tot het einde toe elkaar liefhebbend vast-houdt’). Het Hebreeuwse woord voor deze vasthoudendheid van Israëls God is  t m a  ‘emeth, dat samenhangt ! m a ‘amén’: het is waar en zeker!

Het is ook een keuze die wérkt, die daadwérkelijk is. De Bijbelse liefde is niet een vaag gevoel, ook niet een warme genegenheid en betrokkenheid zonder meer, maar het is een ander woord voor liefdebetoon, voor daadwerkelijke liefde: h b h a ’ahábháh is in de Hebreeuwse Bijbel synoniem met d s x chesed. Het woord chesed is vaak vertaald met het fraaie, maar in onbruik geraakte woord ‘goedertierenheid’: goedertieren is iemand die goed ‘tiert’ = die een goed leven leidt = die goed dóet. De Bijbelse liefde is ‘emeth én chesed: betrouwbare én daadwérkelijke liefde. Het is echte lief-dadig-heid, een liefde die zelfs meer doet dan bij de verbondssluiting (het ‘houwelijk) is afgesproken, een liefde die over-dadig is***. Het is opmerkelijk dat in de Bijbel veel vaker het werkwoord liefhebben ter sprake komt dan het naamwoord liefde. De verkiezende liefde Gods wérkt, is daadwérkelijk liefdebetoon!

Er zijn nog twee karakteristieken voor deze verkiezende liefde Gods, of twee in één: het is een hartelijke liefde, het is een liefde die uit het hart komt, én het is een liefde die ons hart vervullen wil, zodat deze de Bron wordt van onze wederliefde. Gods liefde voor Israël is geen beredeneerde, verstandelijke liefde, maar een liefde die rechtstreeks uit Zijn diepste Innerlijk voortkomt, uit Zijn Wezen. Want Gods hart is Hij ‘Zelf’, is Zijn Wezen. Het zichtbare liefdebetoon van God, Zijn chesed zoals die zichtbaar werd bij de bevrijding van Zijn volk uit Egypte op weg naar het Beloofde land - dit ontzagwekkende liefdewerk - is meer dan uiterlijk vertoon: het komt allemaal rechtsreeks uit Zijn Goddelijk Hart, uit Zijn ‘Zelf’. Hij handelt niet afstandelijk****, zoals wij afstandelijk liefdádig kunnen zijn, een donatie gireren, zonder dat wij daar iets van onszelf in weggeven. Als Israëls God liefdadig is voor Zijn volk dan geeft Hij Zichzelf mee, dan is Hij Zelf in wat Hij doet. De kern van Zijn ‘liefdadigheid’ is Zijn Zelfovergave. Een Zelfovergave die tot het uiterste gaat: Hij vereenzelvigt Zich met Zijn volk, Hij verplaatst Zich in hen, Hij neemt hun zonden op Zich en draagt ze weg****. De kern van Zijn verkiezende liefde is Zijn vergevende liefde. Een liefde waarvan heel de Hebreeuwse Bijbel doortrokken is, die op unieke wijze uitgebeeld is in het offerritueel op Jom Kipur waarbij één van de offerdieren de zonden van heel het volk op zich neemt, wegdraagt (Lev.16:21) en die een unieke  historische gestalte kreeg in de Man van Nazareth: Zie het Lam Gods (Joh.1:29).

Deze hartelijke liefde Gods - en dat is een even uniek gegeven als de vergevende liefde, het is de keerzijde ervan – is tegelijk de Bron van onze liefde, van ons daadwerkelijk liefdebetoon. God Zelf, Zijn Geest van Liefde wil woning maken in ons hart, wil ons hart vervullen opdat wij Zijn liefde weerkaatsen in een hartelijke liefde tot Hem en tot al het Zijne: tot Zijn volk, Zijn Stad, Zijn Tsion dat Hij bovenal liefheeft (Ps.87:2), maar ook tot Zijn hele schepping, Zijn mensheid, Zijn armen en ellendigen wereldwijd. Kortom tot allen die Hem ter harte gaan. Dit unieke gegeven dat Gods Liefde, Zijn Chesed (= daadwerkelijk liefdebetoon) en Zijn ‘Emeth (=trouw, verbondstrouw tot het uiterste) de Bron vormt van onze liefde, dat wij die unieke liefde alleen maar hoeven te weerspiegelen, hangt direct samen met een zeer opmerkelijk grammaticaal gegeven dat maar weinig wordt opgemerkt. In het begin van deze woordstudie is daarop al gewezen, namelijk dat deze opdracht om lief te hebben niet in de gebiedende wijs staat, maar in de voltooide wijs: t"b h;a" ‘áhabhtáh! Letterlijk betekent dat: gij hebt liefgehad. Er staat niet: heb God lief! Maar het staat  er als een gegeven, het is voltooide tijd, het is al vervuld: gij hebt liefgehad. Of het kan ook betekenen: gij zult lief gehad hebben! De opdracht om God lief te hebben is geen wet, die zwaar op ons drukt, maar het is een belofte, waaruit we kunnen leven! Gij hebt liefgehad! Het is al volbracht: ‘zie het Lam Gods!’ God is Zelf de Bron van onze liefde, van onze voltooide liefde.

Het enige wat wij hebben te ‘doen’ is ‘niet doen’: is ons hart niet afsluiten voor deze Geest van Liefde, is niet langer ons zelf willen verwerkelijken of voltooien, maar deze voltooide liefde láten gebeuren. Dat wil vooral zeggen: de obstakels láten afbreken. En hét obstakel, dé blokkade, dé weerstand tegen doorbraak van de Geest Gods in ons hart is onze narcistische zelfliefde***** die zichzelf zoekt te bevredigen aan de ander. Hét obstakel is onze eros, ons streven naar zelfverwerkelijking. Of nog anders gezegd: het obstakel is onze angst voor radicale zelfovergave, de angst voor het sterven aan onszelf. Streven of sterven, zelfverwerkelijking of zelfovergave daar gaat het om bij de woorden eros en ahabhah/agape******.

Nog iets over de drie letters van het woord b h a ‘áhabh die de betekenis nog kunnen onderstrepen. De a Aleph is de één, de één van y n a ‘aní: ik, ik die het initiatief neem, ik die uitga tot de ander; de b Beth is de tweede, de andere, met wie ik wil samenzijn, samenwonen (Beth = huis). Tussen beide in, tussen mij en de ander in  staat de h Hé’, de letter die doelt op wat van de Overkant, van Bovenaf naar mij toekomt. Ik kan niet rechtstreeks naar de ander, er is geen directe lijn van mij naar de ander die ik liefheb. De verbinding, loopt via Hem die mij én de ander lief heeft en  liefde geeft. Anders gezegd: een ‘houwelijk’, een trouwverbond sluit je niet met z’n tweeën, maar met z’n d(D)rieën. Of nog anders: een huwelijk is een heilig verbond, geheiligd door de relatie met de Heilige, de Ene, de Unieke.

Er is een merkwaardig en ook moeilijk te vatten letterverband: tussen b h a ‘áhabh en b y a ‘ájabh: vijandig behandelen, waarvan  b yeA a ‘ójébh: iemand die mij vijandig behandelt, vijand. In Ex. 23:22 komen beide vormen in één zin voor: als Israël op Gods wegen gaat, dan zal Hij hun vijanden vijandig behandelen. God als vijand van Israëls vijanden. Maar wat gebeurt er als Israël zelf Gods vijand wordt? Hij houdt hen vast, omdat Hij met hen een ‘houwelijkse’ relatie heeft: Hij heeft een speciale liefde voor ‘zondaren’.

Tot slot nog enkele letterverbanden: tussen b h a en  b a (ábh: oorsprong, vader – God, de Vader is de Oorsprong van onze liefde), tussen b h a en h b a (ábháh: bereidwillig zijn - Zijn Liefde maakt ook ons bereid tot daadwerkelijk liefdebetoon), tussen b h a en b a t  (tá’abh: begeren, wensen, waarvan ta’abhah: wens, Ps. 119: 40 – de Liefde Gods vervult ons diepste verlangen), en tussen b h a en  l h a (áhal: tent opslaan, Gen.13:12, waarvan  l h,ao’ohel: tent - de liefde Gods is als een beschermende tent om ons heen: Hij heeft ons in ‘het Hart gesloten’, wij bewegen ons voortdurend in de lichtkring  en in het krachtenveld van Zijn Liefde)*******.

* Er is klankverwantschap tussen agape en ’ahábháh (de ‘h’ kan klinken als ‘ch’ of ‘g’  en de zachte ‘b’ (‘v’) kan wisselen met de ‘f’ of de zachte ‘p’ dus: agapah). Deze verwantschap heeft aanleiding gegeven tot de zeer aannemelijke veronderstelling dat agape een Hebreeuws leenwoord is. Er is ook wel gesuggereerd dat agape een ontwerp zou zijn, een bewuste taalcreatie van de eerdere Joodse intellectuelen die met het woord eros niet overweg kon. Volgens Kittel (‘Theologisches Wörterbuch Zum Neuen Testament’ t.a.p.) is de etymologie van het woord eros ‘dunkel’. ‘Duister’? Kan zo’n diepzinnig en stralend woord ooit vanuit het duistere zijn ontstaan?

** Hoewel het woord eros in de Griekse filosofie ook een breder bereik heeft en ook kan doelen op het streven naar hogere kennis of wijsheid, blijft toch de zinnelijke lust de dominante betekenis: men sprak ook nooit over ero-sofie, alleen over philo-sofie. In de volgende erosmythe komt die driftige grondslag duidelijke naar voren. Eros zou in een dronken bui verwekt zijn door de godheid van de overvloed bij de godin van de armoede op de geboortedag van Aphrodite, de zeer mooie en aantrekkelijke godin van de liefde. Ze zou ‘opgebruist’ zijn uit het schuim van de zee nadat ze ontstaan was uit het ‘teellid’ van de onttroonde Oergod Uranus. Overal waar Aphodite gaat is Eros in haar gevolg. Van origine is Aphrodite een Oosterse godin, die volgens de legende nadat ze uit de bruisende zee was opgedoken aan land kwam op Cyprus. Het eiland Cyprus is de historische ‘brug’ tussen de Oosterse en de Westerse wereld. Dat Aphrodite daar opduikt duidt ontegenzeggelijk op een samenhang tussen haar en de Kanaänitische (Foenicische) en Babylonische Astarte of Isthar, de godin van de wellust en de vruchtbaarheid, die ook bekend is uit de Bijbel (o.a. in 1 Kon.11:5, zij wordt ook wel gezien als de aantrekkelijke hemelkoningin uit Jer.7:218,44:17-19, ). Later is zij vereenzelvigd met Venus. Aphrodite is te zien als de oervrouw, de Eva, de mooie moeder/dochter die ieders verliefdheid wekt. Volgens Plato is de zinnelijke liefde de opstap voor de geestelijke liefde: het streven naar vereniging met het Hogere, met de Hoogste Idee, het Goede. Onder de Griekse elite en later breed uit in heel de Hellenistische cultuur waren pedofilie en homofilie algemeen aanvaard gegevens, die zonder schaamte beoefend werden omdat zij dienstbaar konden zijn aan het streven naar een hoger niveau van mens zijn of ook aan het versterken van de mannelijke strijdbaarheid of beter: strijdlustigheid. Het machtige leger van Alexander de Grote zou goeddeels hebben bestaan uit homofiele strijders, aanhangers van de godin der ‘liefde’.

*** Wie is een  d y s x ‘chasid’? Een chasid - meestal aangeduid als een ‘vrome gelovige’ - is iemand die spontaan meer doet dan waartoe hij in de relatie met zijn God verplicht is. Het gaat om de spontane, overdádige liefde. Wanneer deze spontaneïteit verloren gaat en de overdaad een gekunstelde vorm aanneemt, kan de chasid veranderen in een hypocriet.

**** Gods liefde is niet afstandelijk, maar wel respectvol, met eerbied voor de volstrekte eigenheid van de ander. Waar de God van Israël, de Ene, de Unieke, de Gans Andere niet meer gekend en erkend worden, wordt ook medemens niet meer erkend in zijn /haar eigenheid: wij zijn  dan allemaal in wezen hetzelfde en we hebben elkaar allemaal even liefde. In die algemene ‘liefde’ gaat onze unieke mens zijn ten onder = wordt de mens gedegradeerd tot een lid van de soort, zoals bij de dieren.

***** Ieder mens wordt gestoord geboren, niet in een open relatie tot God en de medemens, maar in een verstoorde, narcistisch verkrampte relatie tot zichzelf. Narcissus is de figuur die in het water zijn spiegelbeeld zag en daar verliefd op werd! Bij het jonge kind is er geen verschil tussen hem/haar en de buitenwereld: hij/zij ziet de ander als verlengstuk van zichzelf, hij/zij ziet in de ander een weerspiegeling van zichzelf, hij/zij beleeftt de ander als een deel van zichzelf en bevredigt zich daaraan (zie prof.T Anatrella ‘Les sex oublié’ in ‘Voorlopig’ Dec. 1995, zie ook Studietafel 3: Mens zijn in het spoor van Israëls God).

****** Een belangrijk Bijbels woord voor seksuele gemeenschap tussen man en vrouw is jada`: kennen, bekennen (Gen.4:1). Het zelfde woord wordt ook gebruikt voor de nauwe relatie tussen God en de mens: ‘HERE Gij doorgrondt en kent mij’ (Ps.139:1). In onze moderne verseksualiseerde cultuur wordt seks bedreven in vluchtige relaties,  zonder elkaar echt te kennen, soms zelf zonder elkaar te willen kennen. ‘Als seks een los product wordt, een doel in zichzelf, dan zijn mensen gereduceerd tot geslachtsorganen’…. ‘Volwassen worden (dwz: de ander in zich toelaten) vereist een overgang van masturbatoire seksualiteit naar relationele seksualiteit: een operatie die nog al tijd vraagt. Men moest eens weten hoe vijandig het onbewuste in ons staat tegenover andersheid en verschil. Wil de jonge mens volwassen worden, dan dient hij/zij de zelfvoldane narcissus (die op zichzelf verliefd is en via de ander zich zelf wil bevredigen)  de deur te wijzen (prof. T. Anatrella. ‘Le sex oublié).

******* Het is opmerkelijk dat niet alleen het ‘gebod’ om God lief te hebben (Deut. 6:5), maar ook om de naaste lief te hebben (Lev.19:18) in de voltooide tijd staat: t"b h;a"‘áhabhtá: gij hébt liefgehad! Nog een bijzonder synoniem van ‘áhabh is : ~ x r rácham: innig liefhebben; het hangt samen met  ~ x,r, rechem: innerlijk, baarmoeder. Het komt voor in Ps.18 vers 2: U heb ik innig lief!

Liefhebben is ‘uit je hart gaan’, niet ‘uit je dak gaan’, niet  in een roes raken van zelfbevrediging, maar bij het uitgaan naar de ander je diepste innerlijk laten meegaan, je hart meenemen en niet achter houden.

Naar boven

5.  b l - ‘lebh
(hart)

Meteen al in het begin van de Bijbel is sprake van het hart van God en van Zijn hartzeer, Zijn innige verdriet, over de verwildering van Zijn wereld: ‘toen ‘JH zag  … dat al wat de overleggingen in het hart van de mens voortbracht slechts boos was  … smartte Hem dit in Zijn hart (Gen.6:5,6). Wat is het hart en heeft God echt een hart? Ons hart* is de locatie van onze geest**, de plek waar onze diepste drijfveren zich bevinden en waar het eigenlijke denken zich voltrekt. Want we denken niet met onze hersenen, maar met ons hart; in de hersenen werken we logisch uit wat er innerlijk bedacht is. Heeft God een hart? De Bijbel spreekt niet alleen over het hart van God, maar ook over Zijn ogen en oren: ogen die ons kunnen zien, oren die ons kunnen horen, en over Zijn handen die Zijn volk hebben gedragen, over Zijn machtige arm die de kinderen Israëls heeft bevrijd en over de voeten die Hij bovenop Zijn vijanden zet. Wij denken vaak dat dit een metafoor is, een wijze van spreken, een zogenaamd mensvormig spreken over God. Maar het is net andersom! De Bijbel spreekt niet mensvormig over God, maar Godvormig over de mens: ónze oren zijn een metafoor! De echte oren heeft God, onze oren zijn een afbeelding van de Zijne. Immers Hij schiep de mens naar (met) Zijn beeld, als Zijn gelijkenis en Hij wil dat wij met onze oren en ogen, met onze mond hetzelfde doen als Hij, dat we op Hem lijken. Dat ook ons hart op Zijn hart gaat lijken, dat daar dezelfde gezindheid heerst, dat daarin dezelfde geest huist.

Ja, ‘huist’. Het Hebreeuwse woord voor hart bestaat uit twee letters, Lamed en Beth, eigenlijk of oorspronkelijk uit drie letters  b b l lêbhabh, met twee maal een Beth. Beth betekent huis, ons hart, de locatie van onze geest heeft van origine twee kamers: één voor onze geest, voor wat ons van nature drijft, voor onze diepste drijfveren, onze hartstochten, en één voor onze goddelijke Partner. Want Hij schiep de mens naar Zijn beeld met een hart, met een innerlijke, lege plek, een allerheiligste, waar Hij Zelf zou mogen huizen als in een tempel, om van daaruit Zich met ons te ver-één-igen, zodat die twee Beth’s tot één worden, tot één ruimte: tot b l lebh. Tot het huis van God, waar Hij woont en vanwaar uit Zijn Geest van liefde en trouw ons hele mens zijn doorstraalt, zodat onze hartstochten en ook ons denken en gevoelen van richting gaan veranderen, zodat onze ogen en oren metaforen worden: als met Gods ogen gaan we kijken naar Zijn wereld en naar Zijn mensen en als met Zijn oren horen we het geroep van de ellendigen. 

In de Bijbel is  sprake van het besnijden van het hart: "JHWH, uw God zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de ‘HJH, uw God lief hebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft" (Deut.30:6). Wat wordt er dan besneden, wat wordt er weggesneden? De ‘voorhuid’(Deut.10:16) moet weg, de tussenwand in ons hart, datgene wat onze geest afsluit van Zijn Geest. Dat wegsnijden van deze hindernis, kan een langdurig proces worden, waarbij met ‘steen’ voor ‘steen’ onze weerstand tegen de totale overgave aan de Heilige Geest wordt afgebroken. Langdurig kunnen we daarbij gehinderd worden door de grote Hinderaar, de oude Slang met zijn fluwelen fluisterstem: ‘je moet jezelf gaan verwerkelijken, je bent zelf een god, een goddelijke vonk!’ *** Pas als we volledig ons overgeven aan het afbraakwerk van de Geest en Hem toelaten in heel ons hart, kan Hij ons de goddelijke Liefdeswet inprenten, kan Hij Gods Onderwijzing, Zijn Torah schrijven op de ‘tafels van ons hart’ (Jer.31:33). Om innerlijk heel****, ge-heel-d te zijn, om met heel onze hart, met heel onze ziel en met al ons vermogen God lief te hebben, moeten we eerst de waanideeën over onze zogenaamde vrijheid en ons 'potentie' tot zelfverwerkelijking erkennen = moeten we eerst onze rebellie belijden en van harte Gods vergevende Liefde***** accepteren.

* Ons mens zijn is als de driedelige tempel in Jeruzalem: 1. de voorhof = onze publieke verschijning, het voor ieder zichtbare lichaam;  2. het heiligdom, de aparte, afgezonderde niet direct voor iedereen toegankelijke binnenkant van ons lichaam: de wereld van onze gedachten en gevoelens; 3. het allerheiligste, het allerbinnenste, ons hart, een ruimte die specifiek voor onszelf is, waar onze unieke geest huist, waar we met ons zelf overleggen, waar onze diepste drijfveren zich bevinden, en waar onze driften, onze hartstochten vandaan komen.

** Geest in het Hebreeuws is ruach en het betekent letterlijk: ‘adem’, ‘wind’, ‘stuwkracht’. De geest in ons is datgene wat ons voortstuwt, wat ons ten diepste drijft, onze drijfveren, onze hartstochten. De Lamed van Lebh  betekent ‘prikstok’ en is het symbool voor ‘beweging’:   $ l (lekh = ga!) en b l (lebh = de locatie van de Grote Goddelijke Beweger of van Zijn tegenstander!)

*** Sinds wij als mens, als mensheid, als ‘Adam’, collectief verkeerd gekozen hebben,  verkeren wij in het krachtenveld van de grote Hinderaar, de oude Slang die ons voortdurend verleidt om net als God te zijn: baas in eigen hart, om zelf het gehele innerlijke huis in bezit te nemen, om zelf op eigen kracht die tussenmuur af te breken en zelf in de ruimte (Beth) van God te gaan staan, ons zelf te vergoddelijken en ‘verlichte’ waanideeën te koesteren over de goddelijke rede of de goddelijke vonk in ons.

**** Niet alleen ongelovigen, maar ook Bijbelgetrouwe gelovigen kunnen nog verdeeld van hart zijn. Een ongelovige is innerlijk verdeeld als hij weliswaar zijn hart openstelt voor de negatieve invloed van de Hinderaar, maar zich niet geheel aan de Boze overgeeft en dus niet geheel en al ‘boosaardig’ wordt. Met een Bijbelgetrouwe gelovige kan iets soortgelijks gebeuren: wel de invloed van de Heilige Geest toelaten, maar niet zich gehéél laten bevrijden en heiligen. De tussenwand blijft geheel of gedeeltelijk overeind, het hart blijft ‘onbesneden’.

***** Er is etymologisch verband tussen het Hebreeuwse lebh en het Nederland-Jiddische lef:  je hebt het lef(hart) niet, je hebt de moed niet!

[ Wat bedoelt Pascal als hij zegt: ‘het hart heeft zijn redenen, waar de rede geen begrip van heeft?’]

Naar boven

LAST_UPDATED2
 
Home