Home Digitale Studiezaal Zeven hoofdwoorden Ahabh

Zoeken

Ahabh Send Print
4. b h a  ‘áhabh: liefhebben
Het werkwoord  b h a áhabh dat meestal vertaald wordt met liefhebben, is één van de hoofdwoorden die ontleend zijn aan de kernzin uit Deut 6 vers 4-6: t"b h;a"áhabhtá. Wat opvallend is, maar wat opvallend weinig opgemerkt wordt, is dat deze opdracht om lief te hebben niet in de gebiedende wijs staat, maar in de voltooide tijd: ‘áhabhtá = gij hebt liefgehad! Waarom? Maar eerst een andere merkwaardigheid of moeilijkheid. Het is erg moeilijk om voor het werkwoord  b h a áhabh en ook voor het zelfstandige naamwoord  h b h a ’ahábháh een goede vertaling te vinden. In de talen van de volken zijn er eigenlijk geen passende woorden die de diepste bedoeling van ‘áhabh en ‘ahábháh kunnen weergeven. Het Griekse woord eros is er niet geschikt voor, evenmin als het Latijnse amor waarvan het Franse amour; ook het Gothische liubh, waarvan het Duitse Liebe, het Engelse love en het Nederlandse liefde kan daar niet aan voldoen. Van al deze ‘heidense’ woorden, waarbij het Griekse eros de boventoon voert, is de grondbetekenis: het verlangen om de ander naar zich toe te trekken, zich via de ander te verwerkelijken, zich aan hem of haar te bevredigen.
De Bijbel vertalen is altijd moeilijk, elk Bijbelwoord is een unieke diamant: daar zijn geen woorden genoeg voor. Maar dat geldt zeker voor  b h a áhabh en  h b h a ’ahábháh. Als onze hersenen van jongs af aan overspoeld en doorgespoeld zijn met liefdesliedjes, liefdesromans en liefdesfilms, ‘alles is liefde’en ‘all you need is love‘, dan kunnen we niet zonder bijgeluiden de oeropdracht uit Deut.6:5 aanhoren: gij zult liefhebben de HERE uw God, als vertaling van  ^ h l a  h w h y  t"b.h;a"’áhabhtá ‘HJH ‘Elohekhá. Dan klinken er onwillekeurig de restanten van de ingestampte, oud-heidense woordbetekenissen mee, die de originele, Hebreeuwse inhoud versluieren of zelfs geheel verduisteren. Wat is ‘áhabhtá? Hoe moet men dat vertalen?
Met dit vertaalprobleem worstelden ook al de Joodse taalgeleerden in het oude Alexandrië meer dan 2000 jaar geleden. Zij hadden de taak opgevat om voor de verstrooide geloofsgenoten in de Grieks-Hellenistische wereld die de Hebreeuwse taal niet meer verstonden, de Bijbel in begrijpelijk Grieks te vertalen. Een gigantisch werk, dat van enorme betekenis is geworden voor het latere Christendom. Maar ook deze Schriftgeleerden voelden scherp aan dat de unieke betekenis van het Hebreeuwse ‘ahábháh niet te vertalen viel met het gangbare Griekse woord eros. Ook het woord philia (vriendschap) was er niet geschikt voor. Daarom hebben ze in de schatkamer van de Griekse taal gezocht naar een alternatief en zo vonden ze ergens onder het stof, in een hoekje van deze rijke taalkamer het geheel vergeten woord agape1. Dit woord kreeg later een sleutelrol in het Griekse Johannes evangelie en vooral ook in zijn brieven: `o theos agape estin (God is Liefde, 1 Joh.4:16). Zeer waarschijnlijk is het zelfs een Hebreeuws leenwoord* en het zou misschien verfrissend kunnen werken als ook wij dit leenwoord meer gingen gebruiken, nu in onze taal het woord liefde zozeer vereenzelvigd wordt met eros en erotiek. Het is opvallend dat de Joodse vertalers het woord eros maar één keer hebben gebruikt en dan staat het in verband met de driftige, erotische liefde van de heidense Baalpriesters.
Met het woord ‘driftig’ is ook wel het meest kenmerkende verschil aangeduid tussen eros en ‘ahábháh/agape. Eros is een drift2, ‘ahábháh is een keuze. Een unieke keuze. De Bijbelse liefde is geen liefde in het algemeen, maar altijd liefde in een bijzondere, unieke relatie. Abraham heeft zijn zoon Isaäk lief, zijn enige (Gen.22:2), Isaäk kreeg Rebecca lief, zijn unieke vrouw (Gen.24:67). Ook de liefde van God is altijd uniek. De bekende slogan dat God van alle mensen houdt – ‘Hij heeft iedereen even lief’ - klopt niet zonder meer. God maakt keuzes, Hij kiest voor Abram, Hij kiest voor Zijn volk Israël, Hij kiest binnen Israël voor de Levitische priesterfamilie, Hij kiest voor het geslacht van koning David. Gods liefde is een verkiezende liefde. Zijn liefde is wel wereldwijd, maar Hij start steeds bij die ene: bij de eenling Abram, bij het ene volk Israël, bij één van Davids grote zonen: ‘deze is Mijn Zoon, de geliefde’ (Matth.3:17).
Het is een keuze waar Hij ook nooit op terugkomt. De ‘ahábháh van Israëls God is niet vluchtig, niet zoals onze menselijke verliefdheid, niet zoals onze driftige eros die van de ene dag op de andere kan vervluchtigen, verdampen: ‘als jij mij niet meer kunt bevredigen, als mijn drift zich plotseling richt op iemand anders, dan is het tussen ons over en uit!’ De liefde Gods heeft de structuur van een onverbrekelijk verbond, Hij houdt vast aan Zijn Ja-Woord, aan Zijn liefdesverklaring aan Israël, ook al laat Israël Hem los en wordt het verliefd op andere ‘heren’ (baäls). In ons woord ‘houden van’ komt dit Bijbelse element van devasthoudende liefde nog tot uitdrukking, zoals ook in ons woord ‘huwelijk’: van ‘houwelijk’ (= waar men tot het einde toe elkaar liefhebbend vast-houdt’). Het Hebreeuwse woord voor deze vasthoudendheid van Israëls God is  t m a ‘emeth, dat samenhangt met  ! m aamén’: het is waar en zeker!
Het is ook een keuze die wérkt, die daadwérkelijk is. De Bijbelse liefde is niet een vaag gevoel, ook niet een warme genegenheid en betrokkenheid zonder meer, maar het is een ander woord voor liefdebetoon, voor daadwerkelijke liefde:  h b h a ’ahábháh is in de Hebreeuwse Bijbel synoniem met d s x chesed. Het woord chesed is vaak vertaald met het fraaie, maar in onbruik geraakte woord ‘goedertierenheid’: goedertieren is iemand die goed ‘tiert’ = die een goed leven leidt = die goed dóet. De Bijbelse liefde is ‘emeth én chesed: betrouwbare én daadwérkelijke liefde. Het is echte lief-dadig-heid, een liefde die zelfs meer doet dan bij de verbondssluiting (het ‘houwelijk) is afgesproken, een liefde die over-dadig is3. Het is opmerkelijk dat in de Bijbel veel vaker het werkwoord liefhebben ter sprake komt dan het naamwoord liefde. De verkiezende liefde Gods wérkt, is daadwérkelijk liefdebetoon!
Er zijn nog twee karakteristieken voor deze verkiezende liefde Gods, of twee in één: het is een hartelijke liefde, het is een liefde die uit het hart komt, én het is een liefde die ons hart vervullen wil, zodat deze de Bron wordt van onze wederliefde. Gods liefde voor Israël is geen beredeneerde, verstandelijke liefde, maar een liefde die rechtstreeks uit Zijn diepste Innerlijk voortkomt, uit Zijn Wezen. Want Gods hart is Hij ‘Zelf’, is Zijn Wezen. Het zichtbare liefdebetoon van God, Zijn chesed zoals die zichtbaar werd bij de bevrijding van Zijn volk uit Egypte op weg naar het Beloofde land - dit ontzagwekkende liefdewerk - is meer dan uiterlijk vertoon: het komt allemaal rechtsreeks uit Zijn Goddelijk Hart, uit Zijn ‘Zelf’. Hij handelt niet afstandelijk4, zoals wij afstandelijk liefdádig kunnen zijn, een donatie gireren, zonder dat wij daar iets van onszelf in weggeven. Als Israëls God liefdadig is voor Zijn volk dan geeft Hij Zichzelf mee, dan is Hij Zelf in wat Hij doet. De kern van Zijn ‘liefdadigheid’ is Zijn Zelfovergave. Een Zelfovergave die tot het uiterste gaat: Hij vereenzelvigt Zich met Zijn volk, Hij verplaatst Zich in hen, Hij neemt hun zonden op Zich en draagt ze weg4. De kern van Zijn verkiezende liefde is Zijn vergevende liefde. Een liefde waarvan heel de Hebreeuwse Bijbel doortrokken is, die op unieke wijze uitgebeeld is in het offerritueel op Jom Kipur waarbij één van de offerdieren de zonden van heel het volk op zich neemt, wegdraagt (Lev.16:21) en die een unieke historische gestalte kreeg in de Man van Nazareth: Zie het Lam Gods ( Joh.1:29).
Deze hartelijke liefde Gods - en dat is een even uniek gegeven als de vergevende liefde, het is de keerzijde ervan – is tegelijk de Bron van onze liefde, van ons daadwerkelijk liefdebetoon. God Zelf, Zijn Geest van Liefde wil woning maken in ons hart, wil ons hart vervullen opdat wij Zijn liefde weerkaatsen in een hartelijke liefde tot Hem en tot al het Zijne: tot Zijn volk, Zijn Stad, Zijn Tsion dat Hij bovenal liefheeft (Ps.87:2), maar ook tot Zijn hele schepping, Zijn mensheid, Zijn armen en ellendigen wereldwijd. Kortom tot allen die Hem ter harte gaan. Dit unieke gegeven dat Gods Liefde, Zijn Chesed (= daadwerkelijk liefdebetoon) en Zijn ‘Emeth (=trouw, verbondstrouw tot het uiterste) de Bron vormt van onze liefde, dat wij die unieke liefde alleen maar hoeven te weerspiegelen, hangt direct samen met een zeer opmerkelijk grammaticaal gegeven dat maar weinig wordt opgemerkt. In het begin van deze woordstudie is daarop al gewezen, namelijk dat deze opdracht om lief te hebben niet in de gebiedende wijs staat, maar in de voltooide wijs:  t"b h;a"áhabhtáh! Letterlijk betekent dat: gij hebt liefgehad. Er staat niet: heb God lief! Maar het staat er als een gegeven, het is voltooide tijd, het is al vervuld: gij hebt liefgehad. Of het kan ook betekenen: gij zult lief gehad hebben! De opdracht om God lief te hebben is geen wet, die zwaar op ons drukt, maar het is een belofte, waaruit we kunnen leven! Gij hebt liefgehad! Het is al volbracht: ‘zie het Lam Gods!’ God is Zelf de Bron van onze liefde, van onze voltooide liefde.
Het enige wat wij hebben te ‘doen’ is ‘niet doen’: is ons hart niet afsluiten voor deze Geest van Liefde, is niet langer ons zelf willen verwerkelijken of voltooien, maar deze voltooide liefde láten gebeuren. Dat wil vooral zeggen: de obstakels láten afbreken. En hét obstakel, dé blokkade, dé weerstand tegen doorbraak van de Geest Gods in ons hart is onze narcistische zelfliefde5 die zichzelf zoekt te bevredigen aan de ander. Hét obstakel is onze eros, ons streven naar zelfverwerkelijking. Of nog anders gezegd: het obstakel is onze angst voor radicale zelfovergave, de angst voor het sterven aan onszelf. Streven of sterven, zelfverwerkelijking of zelfovergave daar gaat het om bij de woorden eros en ahabhah/agape6.
Nog iets over de drie letters van het woord  b h a áhabh die de betekenis nog kunnen onderstrepen. De a Aleph is de één, de één van  y n a  ‘aní: ik, ik die het initiatief neem, ik die uitga tot de ander; de b Beth is de tweede, de andere, met wie ik wil samenzijn, samenwonen ( Beth = huis). Tussen beide in, tussen mij en de ander in staat de h Hé’, de letter die doelt op wat van de Overkant, van Bovenaf naar mij toekomt. Ik kan niet rechtstreeks naar de ander, er is geen directe lijn van mij naar de ander die ik liefheb. De verbinding, loopt via Hem die mij én de ander lief heeft en liefde geeft. Anders gezegd: een ‘houwelijk’, een trouwverbond sluit je niet met z’n tweeën, maar met z’n d(D)rieën. Of nog anders: een huwelijk is een heilig verbond, geheiligd door de relatie met de Heilige, de Ene , de Unieke.
Er is een merkwaardig en ook moeilijk te vatten letterverband: tussen  b h a áhabh en  b y a ájabh: vijandig behandelen, waarvan  b yeA a ójébh: iemand die mij vijandig behandelt, vijand. In Ex. 23:22 komen beide vormen in één zin voor: als Israël op Gods wegen gaat, dan zal Hij hun vijanden vijandig behandelen. God als vijand van Israëls vijanden. Maar wat gebeurt er als Israël zelf Gods vijand wordt? Hij houdt hen vast, omdat Hij met hen een ‘houwelijkse’ relatie heeft: Hij heeft een speciale liefde voor ‘zondaren’.
Tot slot nog enkele letterverbanden: tussen  b h a en  b a (ábh: oorsprong, vader – God, de Vader is de Oorsprong van onze liefde), tussen  b h a en  h b a (ábháh: bereidwillig zijn - Zijn Liefde maakt ook ons bereid tot daadwerkelijk liefdebetoon), tussen  b h a en  b a t (tá’abh: begeren, wensen, waarvan ta’abhah: wens, Ps. 119: 40 – de Liefde Gods vervult ons diepste verlangen), en tussen  b h a en  l h a (áhal: tent opslaan, Gen.13:12, waarvan  l h,ao’ohel: tent - de liefde Gods is als een beschermende tent om ons heen: Hij heeft ons in ‘het Hart gesloten’, wij bewegen ons voortdurend in de lichtkring en in het krachtenveld van Zijn Liefde)7.
1 Er is klankverwantschap tussen agape en ’ahábháh (de ‘h’ kan klinken als ‘ch’ of ‘g’ en de zachte ‘b’ (‘v’) kan wisselen met de ‘f’ of de zachte ‘p’ dus: agapah). Deze verwantschap heeft aanleiding gegeven tot de zeer aannemelijke veronderstelling dat agape een Hebreeuws leenwoord is. Er is ook wel gesuggereerd dat agape een ontwerp zou zijn, een bewuste taalcreatie van een eerdere Joodse intellectuelen die met het woord eros niet overweg kon. Volgens Kittel (‘Theologisches Wörterbuch Zum Neuen Testament’ t.a.p.) is de etymologie van het woord erosdunkel’. ‘Duister’? Kanzo’n diepzinnig en stralend woord ooit vanuit het duistere zijn ontstaan?
2 Hoewel het woord eros in de Griekse filosofie ook een breder bereik heeft en ook kan doelen op het streven naar hogere kennis of wijsheid, blijft toch de zinnelijke lust de dominante betekenis: men sprak ook nooit over ero-sofie, alleen over philo-sofie. In de volgende erosmythe komt die driftige grondslag duidelijke naar voren. Eros zou in een dronken bui verwekt zijn door de godheid van de overvloed bij de godin van de armoede op de geboortedag van Aphrodite, de zeer mooie en aantrekkelijke godin van de liefde. Ze zou ‘opgebruist’ zijn uit het schuim van de zee nadat ze ontstaan was uit het ‘teellid’ van de onttroonde Oergod Uranus. Overal waar Aphodite gaat is Eros in haar gevolg. Van origine is Aphrodite een Oosterse godin, die volgens de legende nadat ze uit de bruisende zee was opgedoken aan land kwam op Cyprus. Het eiland Cyprus is de historische ‘brug’ tussen de Oosterse en de Westerse wereld. Dat Aphrodite daar opduikt duidt ontegenzeggelijk op een samenhang tussen haar en de Kanaänitische (Foenicische) en Babylonische Astarte of Isthar, de godin van de wellust en de vruchtbaarheid, die ook bekend is uit de Bijbel (o.a. in 1 Kon.11:5, zij wordt ook wel gezien als de aantrekkelijke hemelkoningin uit Jer.7:218,44:17-19). Later is zij vereenzelvigd met Venus. Aphrodite is te zien als de oervrouw, de Eva, de mooie moeder/dochter die ieders verliefdheid wekt. Volgens Plato is de zinnelijke liefde de opstap voor de geestelijke liefde: het streven naar vereniging met het Hogere, met de Hoogste Idee, het Goede. Onder de Griekse elite en later breed uit in heel de Hellenistische cultuur waren pedofilie en homofilie algemeen aanvaard gegevens, die zonder schaamte beoefend werden omdat zij dienstbaar konden zijn aan het streven naar een hoger niveau van mens zijn of ook aan het versterken van de mannelijke strijdbaarheid of beter: strijdlustigheid. Het machtige leger van Alexander de Grote zou goeddeels hebben bestaan uit homofiele strijders, aanhangers van de godin der ‘liefde’.
3 Wie is een d y s x ‘chasid’? Een chasid - meestal aangeduid als een ‘vrome gelovige’ - is iemand die spontaan meer doet dan waartoe hij in de relatie met zijn God verplicht is. Het gaat om de spontane, overdádige liefde. Wanneer deze spontaneïteit verloren gaat en de overdaad een gekunstelde vorm aanneemt, kan de chasid veranderen in een hypocriet.
4 Gods liefde is niet afstandelijk, maar wel respectvol, met eerbied voor de volstrekte eigenheid van de ander. Waar de God van Israël, de Ene, de Unieke, de Gans Andere niet meer gekend en erkend worden, wordt ook medemens niet meer erkend in zijn/haar eigenheid: wij zijn dan allemaal in wezen hetzelfde en we hebben elkaar allemaal even liefde. In die algemene ‘liefde’ gaat onze unieke mens zijn ten onder = wordt de mens gedegradeerd tot een lid van de soort, zoals bij de dieren.
5 Ieder mens wordt gestoord geboren, niet in een open relatie tot God en de medemens, maar in een verstoorde, narcistisch verkrampte relatie tot zichzelf. Narcissus is de figuur die in het water zijn spiegelbeeld zag en daar verliefd op werd! Bij het jonge kind is er geen verschil tussen hem/haar en de buitenwereld: hij/zij ziet de ander als verlengstuk van zichzelf, hij/zij ziet in de ander een weerspiegeling van zichzelf, hij/zij beleeftt de ander als een deel van zichzelf en bevredigt zich daaraan (zie prof.T Anatrella ‘Les sex oublié’ in ‘Voorlopig’ Dec. 1995, zie ook Studietafel 3: Mens zijn in het spoor van Israëls God).
6 Een belangrijk Bijbels woord voor seksuele gemeenschap tussen man en vrouw is jada`: kennen, bekennen (Gen.4:1). Het zelfde woord wordt ook gebruikt voor de nauwe relatie tussen God en de mens: ‘HERE Gij doorgrondt en kent mij’ (Ps.139:1). In onze moderne verseksualiseerde cultuur wordt seks bedreven in vluchtige relaties, zonder elkaar echt te kennen, soms zelf zonder elkaar te willen kennen. ‘Als seks een los product wordt, een doel in zichzelf, dan zijn mensen gereduceerd tot geslachtsorganen’…. ‘Volwassen worden (dwz: de ander in zich toelaten) vereist een overgang van masturbatoire seksualiteit naar relationele seksualiteit: een operatie die nog al tijd vraagt. Men moest eens weten hoe vijandig het onbewuste in ons staat tegenover andersheid en verschil. Wil de jonge mens volwassen worden, dan dient hij/zij de zelfvoldane narcissus (die op zichzelf verliefd is en via de ander zich zelf wil bevredigen) de deur te wijzen (prof. T. Anatrella. ‘Le sex oublié).
7 Het is opmerkelijk dat niet alleen het ‘gebod’ om God lief te hebben (Deut. 6:5), maar ook om de naaste lief te hebben (Lev.19:18) in de voltooide tijd staat: t" b h; a" ‘áhabhtá: gij hébt liefgehad! Nog een bijzonder synoniem van ‘áhabh is : ~ x r rácham : innig liefhebben; het hangt samen met  ~ x, r, rechem: innerlijk, baarmoeder. Het komt voor in Ps.18 vers 2: U heb ik innig lief!
 
Liefhebben is ‘uit je hart gaan’, niet ‘uit je dak gaan’, niet in een roes raken van zelfbevrediging, maar bij het uitgaan naar de ander je diepste innerlijk laten meegaan, je hart meenemen en niet achter houden.

 
Laatste wijziging (maandag, 24 augustus 2009)

 
Home Digitale Studiezaal Zeven hoofdwoorden Ahabh