Home Digitale Studiezaal Zeven hoofdwoorden Hájáh

Zoeken

Hájáh Send Print
1.  h y h HáJáH: er zijn, geschieden
Het woord dat voorrang heeft boven alle woorden is het werkwoord  h y h (hájah) of eigenlijk:
 h y w h (hawjah: geschieden, aanwezig zijn). Het zou op zich zelf al voorrang moeten hebben omdat het één van de meest voorkomende Bijbelwoorden is: 3549 keer! Er is maar één woord dat hájáh in dit opzicht ver overtreft:  r m a (‘ámar: zeggen, spreken), dat het respectabele getal haalt van 5298! Hájáh en ‘ámar hebben ook iets met elkaar. Meteen in het eerste Bijbelhoofdstuk worden ze gekoppeld: ‘en God zei: er geschiede licht!’, ‘en God zei: er geschiede uitspansel!’, ‘en God zei: er geschiede lichten aan het uitspansel’ (Gen. 1:3,6,14). Het spreken van God brengt de geschiedenis op gang, de scheppingsgeschiedenis en de menselijke geschiedenis!
Maar niet alleen getalsmatig, het woord háwjáh ook en vooral voorrang omdat uit dit werkwoord de Unieke GodsNaam is gevormd: JHWH. De Vierletters van de Naam zijn te zien als een compacte weergave van de drie werkwoordsvormen:  h y h (Hájáh: Hij is geschied, Hij was Aanwezig), 
 h y, h. yi (JihjeH: Hij zal geschieden, Hij zal er zijn) en  h w, ho (HoWeh: Hij is geschiedende, Hij is Aanwezig). Als Israëls God over Zichzelf spreekt, benoemt Hij Zich in de eerste persoonsvorm: 
 h y h a  (‘Ehjeh: Ik ben Aanwezig). Op de vraag van Mozes, wat hij tegen het volk moet zeggen, antwoordt God: ‘zegt tegen de kinderen Israëls: ’Ehjeh heeft mij tot U gezonden’ (Ex.3:14).
Deze Vierletterige Naam – en dat zet het werkwoord hájáh compleet boven aan de ranglijst – is ook een compacte weergave van heel Bijbelse Boodschap. Want de kern, het hart van het Bijbels Evangelie is niet dat er ‘ergens’ een Godheid bestaat, een Hoog Verheven Grootheid die ons en ook alle andere grootheden (natuur goden en volksgoden) mateloos ver overstijgt, maar dat deze Hoog Verhevene is afgedaald naar de aarde, dat Hij aanwezig is hier en nu, dat Hij hier en nu geschiedt, gebeurt, ‘geboort’ tússen ons in als Immanuël (= God met ons) en ín ons als Shekhináh (= Inwonende Geest). Heden, hier en nu is Hij er! Is Hij hoorbaar Aanwezig als de Stem die weerklinkt in heel de schepping, maar vooral als de Stem Die opklinkt uit alle Bijbelwoorden en die resoneren wil in ieder mensenhart. Te allen tijde ‘gebeurt’ Israëls God, in verleden, heden en toekomst: Hij Die er was, is er en zal er zijn. Anders gezegd: de God der Hebreeën ‘bestaat’ niet, Hij is er, Hij gebeurt van dag tot dag, van uur tot uur, van minuut tot minuut, in allerlei ‘werkzaamheden’ en ‘hoedanigheden’.
In feite is ook heel de Bijbeltaal gebundeld in deze Vierletterige Naam. Alle 8800 Bijbelwoorden, alle werkwoorden en hoedanigheidswoorden (naamwoorden), maar ook alle voegwoorden en voor-zetsels zijn betrokken of te betrekken op de NAAM. De werkwoorden zijn ‘werkzaamheden’, waarin de NAAM Zich verwerkelijkt: scheppend, bevrijdend, vergevend, liefhebbend, heiligend, bemoedigend, rechtzettend is Hij hier en nu werkzaam. De naamwoorden, de ‘hoedanigheids-woorden’ tekenen zijn Wezen: Hij is barmhartig, rechtvaardig, trouw, Hij is een Rots om in te wonen, een sterke Vesting. Zelfs het voegwoordje ‘en’ functioneert direct in de NAAM: de Waw (= en) verbindt de eerste en de tweede Hé’, maar verbindt ook Woord en Geest: onlosmakelijk zijn Die Twee verbonden.
Tenslotte is er nog een bijzonderheid met dit werkwoord há(w)jáh, waardoor het een extra kleur krijgt boven aan de ranglijst. Want het wordt gevormd door de drie allerzachtste letters uit het Hebreeuwse alfabet: de Jod, de Hé’ en de Waw. Deze drie fluisterzachte letters kunnen bovendien ‘verklinkeren’ = wegklinken in een klinker, zodat ze als letter volledig onhoorbaar zijn. De Jod kan wegklinken in de ‘i’, de Hé’ in de ‘á’ en de Waw kan verklinkeren tot een ‘u’ of ‘o’. In deze klinkervorm klinken ze mee in de vervoeging en verbuiging van alle Hebreeuwse werkwoorden en naamwoorden. Dat is bijzonder: de GodsNaamletters zijn ook de belangrijkste dienstdoende letters. De hele Hebreeuwse Bijbeltaal is wezenlijk vervlochten met de GodsNaam (meer hierover in de Alephcursus van Studiehuis Reshiet). Dat de Naam is opgebouwd uit de allerzachtste, fluisterzachte letters en dat deze letters bereid zijn tot de allernederigste ‘taaldienst’ is een verwijzing naar het Wezen van Israëls God: Hij, de Altijd en Alom Aanwezige is niet luidruchtig en opzichtig onder ons Aanwezig, maar Hij is er bij voorkeur zoals Hij kwam tot Elia als een stille fluisterstem (1Kon. 19:12).
 
Nog drie notities
* In veel gevallen wordt hájáh vertaald alsof het een nietszeggend koppelwerkwoord is, dat een onderwerp ‘koppelt’ aan een naamwoordelijk gezegde: de aarde was woest en ledig (Gen. 1:2), de slang was de slimste (Gen.3:1). Het Hebreeuws kent geen koppelwerkwoorden, het koppelt direct (of soms via een persoonlijk voornaamwoord) het onderwerp aan het naamwoordelijke gezegde. Het is beneden de stand van een Hebreeuws werkwoord om nietszeggend in een zin te staan. Dat geldt zeker voor het diepzinnige en zwaar geladen werkwoord: hájáh.
** ‘Hier en nu’, ruimte en tijd zijn twee gegevens die wij geneigd zijn radicaal van elkaar te scheiden: de vragen ‘waar ben ik?’ en ‘hoe laat is het?’ hebben volgens ons weinig of niets met elkaar te maken. Maar de grote natuurkundige, Albert Einstein, stelde dat ruimte en tijd in wezen één en dezelfde werkelijkheid zijn. Einstein, van Joodse afkomst, raakt met deze stelling het hart van de Hebreeuwse Bijbel: Israëls God is de eenheid van ruimte en tijd! Hij is er Hier en Nu, Hij is er Alom én Hij is er Altijd. Hij is de Altijd en Alom Aanwezige, Hij is de Maqom, de Plaats, waarin wij ons bevinden, met heel de schepping. Want de schepping is niet ergens buiten Hem geplaatst in het lege niets, maar binnen Zijn Aanwezigheid: ‘in Hem bewegen wij ons en zijn wij’, aldus de Hebreeër Paulus op de Areopagus in het hart van Griekenland (Hand. 17:28). 
*** Het gebod: ‘gij zult de Naam van de HERE Uw God niet ijdel gebruiken’ betekent letterlijk: ‘Gij de Naam niet opheffen (násá’ = opheffen, dragen, wegdragen) tot het ijdele (shaw = leegte). Wanneer heffen wij de Naam op het ijdele, tot het nietige of nietszeggende? Als we achteloos zonder innerlijke betrokkenheid deze Naam op de lippen nemen. Maar ook als wij deze uiterst geladen en zinvolle NAAM (Altijd en Alom is Hij Aanwezig, geschiedt Hij) vervangen door een vage, bijna niets zeggende term als de ‘Eeuwige’. De vervangingsnaam ‘HERE’ of ‘AdonaJ’ (liefst met hoofdletter J aan het slot) drukt respect uit en is als zodanig zeer te waarderen. Maar waarom mag het Evangelie van Gods voortdurende en allesomvattende Aanwezigheid: ‘Ik ben met u, hier en nu, bevrijdend en heiligend’, niet steeds voluit gezegd worden? Als men het niet voluit ‘AdonaJ, Altijd en Alom Aanwezig’ of
‘Ik ben met U’ wil zeggen of schrijven, waarom dan niet de Bijbelse, op zich al zeer eerbiedige VierLetterige Naam: JHWH?
 
Laatste wijziging (maandag, 24 augustus 2009)

 
Home Digitale Studiezaal Zeven hoofdwoorden Hájáh