4. b h a ‘áhabh: liefhebben
Het werkwoord
b h a ‘
áhabh dat meestal vertaald wordt met
liefhebben, is één van de hoofdwoorden die ontleend zijn aan de kernzin uit Deut 6 vers 4-6:
t"b h;a"‘
áhabhtá. Wat opvallend is, maar wat opvallend weinig opgemerkt wordt, is dat deze opdracht om lief te hebben niet in de gebiedende wijs staat, maar in de voltooide tijd: ‘
áhabhtá = gij
hebt liefgehad! Waarom? Maar eerst een andere merkwaardigheid of moeilijkheid. Het is erg moeilijk om voor het werkwoord
b h a ‘
áhabh en ook voor het zelfstandige naamwoord
h b h a ’ahábháh een goede vertaling te vinden. In de talen van de volken zijn er eigenlijk geen passende woorden die de diepste bedoeling van ‘
áhabh en ‘
ahábháh kunnen weergeven. Het Griekse woord
eros is er niet geschikt voor, evenmin als het Latijnse
amor waarvan het Franse
amour; ook het Gothische
liubh, waarvan het Duitse
Liebe, het Engelse
love en het Nederlandse
liefde kan daar niet aan voldoen. Van al deze ‘heidense’ woorden, waarbij het Griekse
eros de boventoon voert, is de grondbetekenis: het verlangen om de ander naar zich toe te trekken, zich via de ander te verwerkelijken, zich aan hem of haar te bevredigen.