Home Digitale Studiezaal ZAJIN Woordstudie - hálakh Hálakh

Zoeken

Hálakh Send Print
7. % l h  hálakh: gaan, wandelen
Aansluitend op Studietafel Zajin
Het woord  % l h  halakh is volledig gekleurd door de geschiedenis van Israëls God met Zijn volk. Abraham wordt met dit werkwoord weggeroepen uit zijn geboortehuis: ga! naar het land dat Ik u wijzen zal (Gen. 12:1). Namens God spreekt Mozes dit werkwoord tegenover Farao, Israëls verdrukker: ‘laat Mijn volk gaan! (Ex. 10:3). En als het volk wegtrekt, gaat God zelf voor hen uit (Ex.13:21).
De hele woestijntocht zelfs wordt getypeerd als een gaan met God, als een wandeltocht met Hem: ‘veertig jaar ging Ik met u (deed Ik u wandelen) door de woestijn’ (Deut.29:5). Steeds ging Hij voorop als hun % l m melekh: Koning (er is woordverband tussen  % l m  en  % l h: de koning is degene die voortdurend voorop gaat!). Telkens wanneer de Koning verder trok, wanneer de Wolk van Zijn Aanwezigheid zich ophief, braken ook de kinderen Israëls op en wandelde het hele volk met Hem mee (Ex.40:36). Een ontroerend gegeven: een hele volksgemeenschap als pelgrims op weg naar het Beloofde Land, wandelend met God.
Mozes wijst het volk erop dat God zo nu en dan ook wandelt tussen hun tenten door, om hen te beschermen , maar ook om te inspecteren of er iets onbehoorlijks bij hen is, of zij niet met verkeerde dingen bezig zijn (Deut. 23:14). De eerste keer dat het woord % l h in de Bijbel ter sprake komt, is juist ook in verband met zo’n inspectietocht, in Gen. 3:8,9, waar verteld wordt dat God wandelde door de Hof van Eden op zoek naar de mens en zijn vrouw die bewust van Zijn Weg waren afgeweken: Adam waar zijt gij?
Behalve over een hele volksgemeenschap op wandeltocht met God, spreekt de Bijbel ook uitdrukkelijk over individuele personen die levenslang gaan met God: Henoch wandelde met God (Gen. 5:22), Noach eveneens (Gen. 6:9), en Abraham typeert met dit werkwoord zichzelf: ‘de HERE voor wiens Aangezicht ik gewandeld heb’ (Gen. 24:40).
In feite geeft dit werkwoord  % l h heel kernachtig aan wat de Bijbelse visie is op het mens zijn.Waar gaat het om? Wat wil de God der Hebreeën van ons? De profeet Micha zegt: God vraagt van ons ‘niet anders dan recht te doen en daadwerkelijk lief te hebben’. Hoe doen we dat - recht doen en daadwerkelijk liefhebben, ons verplaatsen in de ander, ons met hem vereenzelvigen, de last van de ander op ons nemen - hoe redden we dat? Micha: ‘door ootmoedig te wandelen met uw God’ (Mi.6:8). Tussen beide zinnen in staat een Waw, die meestal vertaald wordt door ‘en’, maar de Waw (letterlijk: haak) kan ook ‘door’ of ‘doordat’ betekenen; en dat is hier meer op z’n plaats: recht doen en liefhebben door te wandelen, door in het Krachtenveld van Israëls God te verkeren, van de Ene, de Unieke, door innerlijk open te staan voor Zijn Geest van liefde en recht waardoor we Zijn gezindheid als vanzelf gaan weerspiegelen, op God gaan lijken. Want daar gaat het om: Hij schiep de mens naar Zijn beeld, opdat de mens op Hem zou gaan lijken, een Geesteskind van God ….. door te wandelen met Hem.
Want wandelen is communiceren, is in gesprek zijn, is woorden inademen en uitademen, is ons innerlijk openstellen voor wat de ander wil zeggen, wil meedelen. Wandelen met God is innerlijk openstaan voor Zijn Woord, zodat het Woord (= Hij Zelf, Zijn Geest) kan doordringen tot ons hart en ons van binnenuit kan vernieuwen.
Micha voegt aan het werkwoord  % l h nog een werkwoord toe:  [ n c  (tsána`: ootmoedig, bescheiden, nederig zijn). Een zeldzaam woord, het komt verder alleen nog voor in Spreuken 11: 2, waar het een tegenstelling vormt met hoogmoedig: ‘schande is er voor de hoogmoedigen, voor de ootmoedigen is er wijsheid’. Het woord is synoniem en ook taalverwant met  h n [ (`ánáh: antwoorden, nederig zijn = tegenover een meerdere in de antwoordhouding staan). Want wandelen met God is niet hetzelfde als wandelen met je vriendje. Er is een enorme afstand tussen Hem en ons, Hij is de Schepper en wij zijn het schepsel: de afstand tussen Hem en ons is nog oneindig veel groter dan die tussen ons en een mier. Met niets en niemand is Hij te vergelijken. Hele volken zijn voor Hem niet meer dan een druppel aan een emmer (Jes. 40:15).
Bovendien is Hij onze Bevrijder, Die ons bevrijd heeft uit de macht van onze verdrukkers, vooral uit het krachtenveld van onze geestelijke verdrukker, die ons voortdurend aanklaagt om onze misstappen. Want Hij is een God Die onze schuld vergeeft, op Zich neemt,wegdraagt - vergeven in het Hebreeuws is a f n nása’ = letterlijk ‘opnemen, wegdragen’. Onze partner op de wandeling is die Unieke God Die Zich volledige met ons vereenzelvigd heeft, Zich in ons verplaatst heeft. Dat maakt ons ootmoedig, we leven van genade en nergens anders van. Dat zet ons ook in de nederige antwoordhouding, want Hij heeft het recht om van ons een antwoord te vragen, ons ter verantwoording te roepen.
Tenslotte, wij vertalen die toevoeging van Micha met het naamwoord ‘ootmoedig’: ‘ootmoedig wandelen’. Maar in het Hebreeuws staat daar in plaats van een naamwoord een werkwoordsvorm: hatsnéa` = gedraag u ootmoedig. Of sterker nog: verootmoedig u daadwerkelijk. Om ootmoedig (naamwoord) te zijn en te blijven in relatie tot onze Schepper en Bevrijder, moeten wij ons steeds opnieuw verootmoedigen (werkwoord). Dat betekent enerzijds ons steeds weer bewust maken van onze kleinheid tegenover Gods majesteitelijke grootheid en dat openlijk uitspreken: hoe groot zijt Gij! Anderzijds betekent het ook daadwerkelijk alle last afleggen, de last van ons mislukkingen, van onze misstappen, ook van onze mislukte pogingen om op eigen kracht en niet van genade alleen te leven. Verootmoedigen (werkwoord) is een dagelijkse godsdienstoefening, maar er zijn periodes in de loop van het jaar, er is zelfs één speciale dag waarop zich dat mag toespitsen: op Jom Kipur!
Notities ter overweging
Geheel in lijn met Israëls wandeling op weg naar het Beloofde land vertelt met name de evangelist Lukas in zijn grote reisverhaal hoe Jehoshua` wandelde met de leerlingen op weg naar Jeruzalem, en hoe Hij na Pesach met hen wandelde vanJeruzalemnaarEmmaüs (Luk.24:15). 
Het tegenovergestelde van wandelen met God, in gesprek zijn met Hem, is wandelen in de ‘raad der goddelozen’ = in gesprek zijn met Zijn tegenstanders, hun woorden inademen (Ps.1:1).
Wandelen met God houdt ook in dat we met Hem in de pas blijven, dat we niet vooruit lopen, Hem niet voor de voeten lopen. Maar ook: dat we niet achter blijven, dat we Hem bijhouden in Zijn gang door de tijd, door onze levenstijd én door de wereldtijd op weg naar Zijn Shalom vanuit Tsion voor alle volken (Micha 4:1-4; Jes.2:1-4). 
 

Laatste wijziging (maandag, 24 augustus 2009)

 
Home Digitale Studiezaal ZAJIN Woordstudie - hálakh Hálakh