Home Digitale Studiezaal BETH Woordstudie - jasha Jasha

Zoeken

Jasha Send Print
2. [ v y  jasha`: bevrijden
Aansluitend op Studietafel Beth
Het Hebreeuwse werkwoord  [ v y jásha` bevrijden hoort thuis in de voorste rij van de Bijbelse kernwoorden. Een kernachtig woord dat kenmerkend is voor de God der Hebreeën: Hij bevrijdt, Hij heeft bevrijd en zal bevrijden.
De eerste keer dat het woord gebruikt wordt met Israëls God als onderwerp is in verband met de bevrijding uit Egypte: ‘zo bevrijdde de HERE op die dag de Israëlieten uit de macht der Egyptenaren’ (Ex.14: 30).
 
Het is merkwaardig dat het werkwoord  [ v y niet voorkomt in de basisvorm, maar alleen in de lijdende vorm (of laat-vorm) en in de doevorm, de zogenaamde hifil. In deze hifil- werkwoordsvorm - en dat is ook heel merkwaardig - worden de drie letters van de GodsNaam ingevoegd: er komt een Hé’ vóór de stam te staan en een Jod er midden in, terwijl de eerste letter van de stam  [ v y, de Jod, verandert in een Waw[ y v w h hóshia` hij heeft bevrijd. Wat is hier aan de hand? Dit Bijbelse kernwoord, dat zo zeer kenmerkend is voor Israëls God, bergt in zich de GodsNaam JHWH: de Altijd Aanwezige, Hij bevrijdt! Het is exclusief Zijn Werk! Een voltooid Werk: het werkwoord [ y v w h hóshia` staat in de voltooide tijd: Hij hééft bevrijd! Maar ook een Werk dat nog steeds aan de gang is, nog onvoltooid is:  [ y v w h y jehóshia`: Hij bevrijdt en zal bevrijden. Van deze laatste, werkwoordsvorm, in de onvoltooide tijd, is de wonderlijk mooie naam Jêhóshua` afgeleid (Jozua 1:1; Matth.1:21), een naam die via het Griekse Jesous helaas verbasterd is tot ‘Jezus’. Helaas, omdat in deze verbastering twee van de drie GodsNaamletters weggewist zijn en dus de Naam van Israëls God, JHWH de Altijd Aanwezige, niet meer in de Jezusnaam te herkennen is en het net lijkt alsof de Man uit Nazareth een heel nieuw verschijnsel is, los van Israëls God en los van Zijn volk en van hun grote leider die hen het Beloofde Land heeft binnen geleid: Jêhoshua`/ Jozua, de zoon van Nun1. Het lijkt een kleinigheid, twee letters weggekrast uit een naam, maar het heeft meegewerkt aan de verdere ontjoodsing2 van Israëls Messias: ‘Jezus’ werd vergriekst, veromaniseerd, vergermaniseerd, verafrikaniseerd etc., en in de naam van ‘Jezus’ werden Zijn Joodse broeders en zusters verdrukt, vervolgd, vermoord.
1 Jozua heette aanvankelijk  [ v w h hoshea` Hosea, maar hij kreeg van Mozes de letter Jod (volgens de legende de Jod van Saraj !) vóór zijn naam:  [ v w h y Jehioshua` (Num. 13:8,16). Hij is de zoon van Nun: de letter Nun, die staat voor het getal ‘50’, is de letter van de bevrijding, de letter ook van de Neerdaling Gods op de 50e dag na de bevrijding uit Egypte, de 50e dag na Pesach (Ex.19:1,9; Hand.2:1,2).
2 In deHebreeuwse naam  [ W v y jeshua` is helaas ook de Hé’ verdwenen. Beter is daarom de naam h [ W v y jesh`ah`: bevrijding. Maar de naam die het beste is = die het meest Bijbels is, die het meest de verbondenheid met Israëls God en het Joodse volk tot uitdrukking brengt is  [ v w h y jêhóshua`.
 
Als de doevorm van [ v y jásha`- ‘bevrijden’ betekent, wat betekent dan de ontbrekende grondvorm jasha`? Drie stamletters en twee schuilwoorden kunnen ons op weg helpen. In [ v y jásha` schuilen de woorden v y jésh en  y v shaj. Het woordje v y jésh betekent: er zijn, aanwezig zijn. De eerst keer dat het woord  v y gebruikt wordt in verband met Israëls God is in Genesis 28: 16, waar de stamvader van Israël, Jacob, na een ontmoeting met God in een droomgezicht zegt: ‘Waarlijk Adonaj is aanwezig op deze plaats’. Dit woordje  v y geeft zicht op de basisbetekenis van  [ v y jásha` = aanwezig zijn, er bij zijn, met ons zijn. Het tweede schuilwoord, y v shaj (= geschenk) geeft aan deze betekenis nogextrakleur: de Aanwezigheid Gods is een geschenk, geen beloning voor onze vrome inspanningen, maar een verrassende gift, pure genade. De drie stamletters van  [ v y (Jod, Shin en Ajin) ondersteunen deze grondbetekenis: waar Israëls God met ons is, is er zicht, uitzicht (Ajin = oog, het zienersoog), zicht op Zijn zegen (Jod = hand, zegenende Hand) en zicht op Zijn shalom, op heling, op het verwerken van het verleden (Shin= tand die brokstukken vermaalt, de Shin van ‘shilém’: vereffenen, herstellen). Kortom de basisvorm  [ v y jásha’ in relatie tot Israëls God betekent: Hij is er bij, Zijn Aanwezigheid is een uniek geschenk, het geeft perspectief op zegen, op herstel van gebroken relaties tussen mensen en volken. De Psalmist zingt: het is mij goed nabij God te zijn (Ps.73:28).
En nu de doevorm: wat gebeurt er als in [ v y de drie letters van de GodsNaam worden ingevoegd  [ y y v w h hoshia` – [ y v w h y jêhoshia`) en als Israëls God daarvan Zelf het onderwerp wordt? Dan doet Hij aanwezig zijn! In de doevorm activeert Hij Zijn Aanwezigheid. Dan treedt Hij handelend op, dan komt Hij in beweging, dan heelt Hij breuken en opent Hij perspectieven. In de doe-vorm bevrijdt Hij daadwerkelijk.
 
Waaruit bevrijdt Hij ons? Gods bevrijdend handelen is radicaal. Radicaal wil zeggen dat Hij de wortel (radix) aanpakt van alle gebrokenheid en van alle ellende. Hij bevrijdt Israël niet alleen uit de slavernij in Egypte, maar ook uit de slavernij van zonde en schuld. Hoe? Door Zijn Aanwezigheid te activeren, door Zich volledig met hen te vereenzelvigen: Hij neemt hun zonden op Zich en draagt ze weg. Zoals gesymboliseerd in het offerritueel op Jom Kipur, waarbij een onschuldig offerlam beladen wordt met de zonden van heel het volk. Bij de geboorte aankondiging van Jêhoshua` zegt de engel: ‘gij zult Hem de naam Jêhoshua` 1 geven, want Hij zal Zijn volk bevrijden van hun zonden.
De radicale bevrijding door Israëls God beperkt zich niet tot het wegnemen van onze schuld, maar Hij haalt ons ook weg uit het krachtenveld van de Boze en zet ons in het Krachtenveld van Zichzelf, van Zijn Heilige Geest. Anders gezegd: Hij bevrijdt én heiligt ons2.
1 Vanzelfsprekend zal de engel niet het Griekse woord Jèsous gebruikt hebben, maar de oerHebreeuwse naam voor Israëls grote leider, Jêhoshua` (Jozua). Vanzelfsprekend, omdat de kinderen Israëls hun kinderen geen Griekse namen geven en bovendien bevat de naam Jêhoshua` de kernboodschap van de engel, want. terugvertaald in het Hebreeuws staat er letterlijk in Matth.1vers21: jêhoshia` = Hij zal bevrijden.
2 Zie woordstudie over qádash heiligen: jásha` en qádash zijn tweelingen die onafscheidelijk zijn.
 
Israëls God is niet alleen de Bevrijder van de zondige mens, maar ook van de zondige samenleving. Het is opmerkelijk dat de engel in Matth.1:21 niet zegt: Hij zal mensen bevrijden, maar Hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden. Er zijn volkszonden, waar iedere volksgenoot deel aan heeft; er zijn volksmachten, volksgeesten die een heel volk in de greep hebben. Behalve volkszonden zijn er familiezonden en familiegeesten die hele generaties teisteren.
In het Christendom is terecht nadruk gelegd op het evangelie van de radicale bevrijding van de zondige mens uit het krachtenveld van de Boze. Maar er is helaas te weinig nadruk gelegd op het evangelie van de bevrijding en heling van de zondige samenleving. Deze twee aspecten van het Bijbelse evangelie - de bevrijding van de zondige mens en van de zondige samenleving - zijn onafscheidelijk als tweelingen. Waar die twee van elkaar los gemaakt worden, gaat het mis met beide. Of anders gezegd, waar Oud en Nieuwe Testamant tegenover elkaar gezet worden = waar Jêhóslua` losgekoppeld wordt van Zijn volk en van de God van Zijn volk, JHWH, gaat het mis met de bevrijding van mens en samenleving1.
1 De bevrijding van volk en volkeren is een hoofdthema in heel de Bijbel: ‘verkondigt het evangelie aan alle volken! Het gaat God om de volkerenwereld, het gaat God om Nederland. Niet om de kerk, niet om ‘salvation stations’ waar individuele gelovigen kunnen instappen in de ‘gospeltrain’ die hen door deze barre, boze en, onheilige wereld heenvoert naar de hemelse zaligheid. Het gaat God om Zijn schepping, om Zijn volk en Zijn volkeren. Het gaat God om Nederland, om het dorp of de stad waar wij wonen, het gaat God om de heiliging van ons huis, van onze huistafel.
 
Behalve radicaal, diepgaand, tot in de wortel is Gods Bevrijdend handelen alles omvattend: Hij bevrijdt uit alle ellende1. Hij verlost met name ook uit de politieke en maatschappelijke ellende. Het is typerend en veelzeggend dat wanneer voor het eerst het woord  [ v y jásha` wordt gebruikt in verband met Israëls God (in Ex.14:30), het gaat over de bevrijding uit Egypte, uit de ellende van de slavernij!
Maar Gods radicale bevrijding betreft ook uitdrukkelijk onze persoonlijke ellende. Hij bevrijdt van angst en moedeloosheid: ‘In mijn angst riep ik tot de HERE en Hij verhoorde mij ’(Ps.116:3,4). Hij doet doven horen, doet lammen lopen en opent de ogen der blinden. Hij bevrijdt ook van onverstand, van verdwaasd denken en eigenwijsheid. Hij opent ons verstand zodat wij inzicht krijgen in Gods heilsgeschiedenis, oog krijgen voor Zijn bevrijdend handelen (Luk.24:25,45). Zoals ook de Psalmist zingt: ‘Hij zal ons Gods heil, Jêhoshua`, doen zien’ (Ps.50:23). Hij heelt onze gebroken samenleving, maar Hij heelt ook ons gebroken hart. Hij heelt ook de breuk tussen ons gevoel en ons verstand.
1 Het woord ‘ellende’ is mogelijk een samenstelling van ex (=uit) en lend (=land’): ellendig zijn is uit het land zijn. De armen en ellendigen in de Bijbel zijn de landlozen, die niet meer ‘zitten onder eigen wijnstok en vijgenboom’, maar afhankelijk zijn van anderen die hen knechten, vernederen, uitbuiten.
 
Het is duidelijk dat van deze radicale en allesomvattende bevrijding Israëls God het onderwerp is: Hij bevrijdt, Hij alleen doet het (doevorm!). En wij? Zijn wij slechts het voorwerp van Zijn bevrijdend handelen of toch ook onderwerp? Eerder is gezegd dat jásha` in de Bijbel voorkomt in twee werkwoordsvormen: in de doevorm ( [ y v w h hóshía` = hij heeft bevrijd) en in de lijdende of de laat-vorm ( [ v w n nósha`: hij is bevrijd geworden, of hij heeft zich láten bevrijden). De lijdende én de laatvorm zijn twee aspecten van Gods bevrijdend handelen: het ‘gewordt’ ons, overkomt ons, verrast ons, het is een geschenk, het is pure genade, maar wij moeten ons ook laten bevrijden, we moeten God, Zijn Woord, Zijn Geest ook toelaten tot in ons hart. Wij zijn niet louter een ‘lijdend voorwerp’dat lijdelijk toeziet en ondergaat wat God doet. Wij zijn ook onderwerp: ‘Mijn zoon, geef (!) Mij uw hart!’(Spr.23:26). Wij moeten ons ook geven, ons aan Hem overgeven, wij moeten Gods bevrijdend Handelen láten gebeuren, Zijn bevrijdend Woord toelaten tot ons hart, Zijn Geest van binnen uit het bevrijdende en helende Werk láten doen. De bevrijding is geen overval, wij buigen niet voor een Bezettende Macht, maar wij geven gehoor aan de oproep: laat u bevrijden! Laat U met God verzoenen! Laat U zegenen!
Typerend is dat het woord ‘zegenen’ in Gen.12: 3 ook in de nifal-laatvorm staat. Wij vertalen het meestal uitsluitend in de eenzijdige lijdende vorm: in U (Abram) zullen alle geslachten, (families, volken) gezegend worden. Of nog meer letterlijk, want het staat in de voltooide tijd: in U zijn alle volken gezegend geworden! Op zich is dat waar, hét grote geschenk, het bevrijdende Evangelie is ons gewórden, wereldwijd, tot aan de einden aarde. Maar het kan ook eenzijdig vervalst worden: alsof Gods zegen die Hij gekoppeld heeft aan Abrahams kinderen (= gekoppeld aan het huidige Joodse volk) ons willoos overkomt! Alsof wij, ook wij hier in Nederland, toeschouwers zijn die lijdelijk kunnen toezien wat God momenteel aan het doen is met Zijn volk, hoe Hij het bevrijd heeft uit hun mateloze ellende, zodat zij weer onder eigen wijnstok en vijgenboom kunnen zitten. Alsof er voor ons geen oproep klinkt: láát U zegenen, in verbondenheid met Abrahams kinderen! Want het werkwoord ‘zegenen’ in Gen.12:3 is ook te lezen in de nifal-laatvorm: in U, in onopgeefbare verbondenheid en saamhorigheid met het huidige nageslacht van Abraham, zullen alle volken zich laten zegenen! Deze belofte houdt de dringende oproep in ook aan ons volk: Nederland, o Nederland, laat U zegenen! Een oproep aan regering en volksvertegenwoordiging, aan stads- en dorpsbesturen: laat U gezeggen, laat U bevrijden, laat U zegenen vanuit Tsion!
De vertaling van de nifalvorm als wederkerig - ‘zich zegenen’ of ‘zich bevrijden’ – is moeilijk te rijmen met de kern van het Bijbels evangelie en met het kerngebed: [ r h !y m W n [ y v w h hoshi`énú min hara` (verlos ons van de Boze /en het boze, Matth.6: 13). We kunnen wel van buitenaf ons zelf enigszins ‘beschaven’, de boze driften in zekere mate beugelen. Maar onszelf bevrijden uit de greep van de Boze = onszelf bevrijden van schuld tegenover God de Schepper en Zijn schepping = ook ons bevrijden van de diep in ons gewortelde boosaardigheid (pesha`: rebellie), dat gaat boven onze macht, dat redden we niet. God, de Ene, is onze enige Redder, Die ons redt uit het machtsgebied en het krachtenveld van de Boze (Lev.16:21. Joh.1:29) en Die van binnenuit ons vernieuwt door Zijn Heilige Geest (Ps.51:12). Niet zichzelf bevrijden, maar zich laten bevrijden is hét Bijbelse kernthema.
De Hebreeuwse Bijbel kent niet het woord vrijheid als zelfstandig naamwoord, het gaat altijd om bevrijd wórden en bevrijd zijn. En ook dit bevrijd zijn kan/mag niet verzelfstandigd worden, het kan nooit los van de Bevrijder Zelf. Niet alleen wat de bestemming betreft - we worden bevrijd ván de slavernij tót de dienst aan Israëls God - maar ook niet los van Zijn blijvende Aanwezigheid, niet los van Zijn Woord en Zijn Inwonende Geest: ‘Blijf bij Mij’ – ‘want zonder Mij kunt Gij niets doen!’ (Joh 15: 4).
 
De eerste keer dat het woord jasha` gebruikt wordt is in verband met Mozes die de dochters van Jethro bevrijdt uit de dagelijkse verdrukking door een aantal mannelijke, overmachtige herders (Ex.2:17). Wij mogen niet alleen onderwerp zijn in de laatvorm, maar ook onderwerp in de doevorm. Wij mogen gestalte geven aan Gods bevrijdend handelen, we mogen Zijn liefde weerspiegelen. Niet alleen in de breedte van de onderlinge relaties, maar ook in de diepte: wij mogen Gods radicale bevrijding, Zijn vergevingsgezindheid weerspiegelen. Het is zelfs onlosmakelijk gekoppeld: ‘vergeef ons ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren (Matth. 6:12). Vergeven zoals God het doet betekent dat wij de zonden van de ander op ons nemen en wegdragen (Lev. 21:16; Joh.1:29) en ze werpen in de ‘zee van eeuwig vergeten’ (Micha 7: 19 ). Kunnen vergeven én vergeten is de hoogste vorm van menselijkheid, van daadwerkelijk bevrijdend handelen in het spoor van Israëls God.
 
Woordverbanden
Er is letterverband tussen  [ v y jásha`, [ v p pesha` en [ v r rásha`. Pesha` is: opstandigheid, het innerlijke verzet tegen God en Zijn Torah, de geest van rebellie. Een rásha` is degene die, soms onder een vrome dekmantel, gewoon zijn eigen gang gaat, = zich laat leiden door de geest van rebellie. In Ps. 36: 1 wordt pesha` sprekend ingevoerd: “de rebelse geest spreekt tot de rasha` in mijn hart”. Jásha`in de nifalvorm is bevrijd wórden én zich láten bevrijden van de pesha`, van de rebelse geest.
Er is ook verband te zien tussen  [ v y jásha` en  h [ v shá`áh (zich wenden tot, de tijd die zich steeds wendt; en met  [ [ v sha`a` (zacht maken): bevrijden is ook verharding wegnemen, verzachting aanbrengen, een zalving geven.
Synoniemen
Woorden van min of meer gelijke betekenis als jasha` zijn:  l [ g `al (vrijkopen, lossen),  j l m málat (vrij komen, ontkomen) en  h d p pádáh. Pádáh komt o.a.voor in Ps.130 vers 8: ‘Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden’.
 

Laatste wijziging (maandag, 24 augustus 2009)

 
Home Digitale Studiezaal BETH Woordstudie - jasha Jasha