Home Digitale Studiezaal De bijbel letterlijk leren lezen

Zoeken

De bijbel letterlijk leren lezen Send Print
Inhoud
 
 
Het herdenkingsjaar van Darwin’s 200e geboortedag heeft in brede kring de aloude discussie over het scheppingsverhaal opnieuw in gang gezet.
Eén van de vragen daarbij is steeds: kan men gezien de resultaten van de moderne wetenschap Genesis 1 nog wel letterlijk lezen? In deze bijlage zijn twee teksten opgenomen, een hoofdtekst en een naschrift. Hierin wordt op basis van de Hebreeuwse Bijbeltaal een pleidooi gevoerd voor het letterlijke Bijbellezen, waarbij elke Hebreeuwse letter een factor van gewicht is, met name de dienstdoende letters zoals de Beth en de Wav. Doorslaggevend bij de uitleg van het scheppingsverhaal is Gen.1 vers 2: ‘en de aarde was woest en ledig geworden’. De kernvraag is: gaat het hier om een vormeloze begintoestand of is hier sprake van een ‘ultieme chaos’ ten gevolge van een Godsgericht, zoals beschreven in Jesaja 24 vers1: ‘Zie, de HERE verwoest en ontledigt de aarde en keert haar ondersteboven’?
Omdat het naschrift vooral is toegespitst op deze kernvraag, is de chronologische ontstaansorde omgekeerd en volgt de hoofdtekst op het naschrift.
Tenslotte is nog een derde tekst toegevoegd, in aansluiting aan het scheppingsverhaal: een letterlijke lezing van een vers uit het paradijsverhaal over de boom des levens en de boom van goed en kwaad (Gen.2:9).
 

Bij ‘De Bijbel letterlijk leren lezen, een bijdrage aan de Darwindiscussie over het scheppingsverhaal’
De ‘Darwintekst’ heeft een aantal reacties opgeroepen die zich toespitsen op Gen.1vers 2: ‘en de aarde was woest en ledig geworden, en duisternis (was) op de vloed en de Geest Gods zwevend over het water’. Het gaat er niet om wie gelijk heeft, maar om wat er letterlijk staat: het gaat om de betrouwbaarheid van het Heilige Schrift. Als er letterlijk staat dat hemel en aarde in zes dagen geschapen zijn en beide dus niet ouder kunnen zijn dan ongeveer 6000 jaar, dan moeten wij dat gelovig accepteren. De vraag is echter: ‘staat dat er letterlijk?’ In de vorige ‘Darwintekst’ zijn een aantal woorden plus één letter onder de loep genomen, dit ‘Naschrift’ is daar min of meer een vervolg op. Eerst iets over de brede betekenis van het werkwoord bárá (scheppen, veroorzaken); dit in verband met de vraag of het wel juist is om te stellen dat ‘God geen chaos schept’, gezien Jes.45 vers 7 waar staat dat God de duisternis en zelfs het kwaad of het onheil schept? Daarna een nog al technisch grammaticaal verhaal over de multifunctionele letter Waw. Waarom zo uitvoerig? Volgens sommige uitleggers geldt het ontbreken van de ‘verspringings’-Waw (of: imperfectum consecutivum) als een deugdelijk bewijs dat het in vers 2 niet gaat om een Godsoordeel, maar om een nog vormeloze begintoestand, als van een embryo in de baarmoeder: ‘Uw ogen zagen mijn vormeloos begin (Ps.139:16).
Vervolgens wordt de loep gelegd is op de woordcombinatie tóhú wá-bhóhú, een typische combinatie die verderop in de Bijbel alleen voorkomt ter aanduiding van een Godsoordeel. In moderne Iwriet betekent het: ‘ultieme warboel, chaos’. 
Tenslotte nog één keer aandacht voor het misbruik of ‘ijdel’ gebruik van het werkwoord hájáh (geschieden, worden) in vers 2. Dit werkwoord vande GodsNaam wordt praktisch door alle Bijbelvertalers in heel Gen.1 gedegradeerd tot een koppelwerkwoord = tot een nietszeggend, ‘ijdel’ werkwoord: een vorm van het on-zin-nige ‘zijn’ dat in feite een werkwoord van ‘niks’ is.
In de ‘Darwintekst’ is gesteld dat God geen chaos schept, maar Jes. 54 vers 7 dan? Hier zegt God dat Hij de duisternis ‘schept’: en daar staat het woord bára’, hetzelfde als in Gen.1:1. Ja, zelfs dat Hij het kwaad schept! Dit zegt niet alleen Jesaja met zoveel woorden, maar het is een kernthema dat als een donkere ondertoon door heel de Bijbel klinkt: God kan het duister en de duistere machten oproepen en in dienst nemen. Anders gezegd: Hij kan Zich bewust en opzettelijk terugtrekken uit Zijn schepping en die aan zichzelf overlaten, zodat het ‘aardsdonker’ wordt op aarde, Egyptisch donker. En Hij kan het kwaad oproepen, Hij kan de chaosmachten vrij spel geven om de aarde te slaan met Egyptische plagen.
* Donker bestaat niet op zichzelf, het is in feite afwezigheid van licht, Zodra God Zich, Zijn Licht, terugtrekt wordt het totaal donker.
 
Maar laat het volstrekt helder zijn dat er een radicaal verschil bestaat tussen de handeling van het scheppen en het zich terugtrekken uit Zijn schepping met als gevolg dat Zijn scheppend handelen te gronde gaat. Beide handelingenzowel de positieve als de negatieve kunnen met het Hebreeuwse woord bárá’ worden aangeduid. Het Hebreeuwse bárá’ is een breed begrip, breder dan ons woord ‘scheppen’, het betekent ook ‘veroorzaken’ of ‘in gang zetten’. Het is een diepgaand Bijbels gegeven dat God de Schepper, en alleen Hij, het kwaad in gang kan zetten. Ja, alleen Hij, want het woord bárá’, dit ‘brede begrip’wordt in de Bijbel alleen gebruikt met God als onderwerp: Hij alleen schept en Hij alleen kan Zijn verworden schepping tot de orde roepen en Zijn gerichten in gang zetten (Jes. 45:7).
De vraag was: schept God chaos? Nee dus! Onze God is een God van orde, Hij schept geen wanorde, geen geordende chaos. Hij is niet verantwoordelijk voor onze moderne wereldwanorde waarbij Zijn schepping finaal in de knel komt en 1 miljard van Zijn mensen honger lijdt. Indertijd was Hij ook niet verantwoordelijk voor de chaotische orde op het tempelplein in Jeruzalem waar de Mammondienaars, de geldwisselaars de dienst uit maakten (Matth.21:12). Maar Hij kan wel onze huidige wereldwanorde grondig verstoren om Zijn orde herstellen: door de geldtafels ondersteboven te schoppen en met Zijn zweep de bankiers te verdrijven uit hun centrale post in het hart van de wereld (Joh.2: 13-15). En Hij kan daarna meteen beginnen aan een herstelprogramma met als punt 1: het herstellen van de publieke eredienst in het centrum van de wereldsamenleving; niet geldwisselen, maar gemeenschappelijk onze dankzegging uitwisselen tegenover onze Schepper en Bevrijder hoort thuis op de Tempelberg : ‘Mijn huis is een gebedshuis’ (Matth: 21:13). En als punt 2: het daadwerkelijk hulp bieden aan armen en ellendigen: ‘en in de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas hen’ (Matth.21:14). Onze God is niet alleen een Scheppend Kunstenaar, ook niet alleen een toornig God Die gericht oefent over Zijn schepping, over Zijn volk of over de vijanden van Zijn volk, maar Hij is ook een Herschepper: Hij bevrijdt met machtige arm en herstelt Zijn verworden schepping.
Tot slot - het Hebreeuws kent geen apart woord voor ‘herscheppen’. Onder het ‘brede begrip’ ‘bárá’ valt behalve ‘scheppen’ en ‘in gang zetten’ ook  ‘herscheppen’. Daarom zijn Gen.1:1 en Gen.1:3- 31 in Bijbelse termen beide scheppingsverhalen, volledig in lijn met latere gezegdes dat de aarde in zes dagen is ‘geschapen’ (Ex.20:11 e.a.).
De Bijbel kent niet het Perzische concept van de twee machten die in een wereldomvattende geestelijke strijd verwikkeld zijn: de goede God tegenover de kwade godheid, het Licht tegenover de Duisternis. Er is één God: Hij alleen schept (bara'), schept ook de duisternis. Met onze Griekse éénlijnige logica kunnen wij dat niet goed volgen. Het Perzische concept van de twee goden ligt ons veel beter. Vooral als we daaraan mogen toevoegen, dat wij een door onze keuze en inzet voor de goede God een beslissende rol mogen spelen in die geestelijke strijd. Maar volgens de Bijbel is die strijd allang beslist: God is Overwinnar, onze bevrijding is voor 100% Zijn Werk, Maar toch wil Hij ons voor 100% daarin betrekken. Maak dat maar eens logisch één-lijnig. Dat lukt net zo min als we de beroemde tekst uit Filippenzen 2 vers 13 logisch op één lijn kunnen krijgen: 'bewerk uw behoudenis met vreze en beven, wánt God is het Die om Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt'.
 
De letter Wav, de zesde in de Hebreeuwse letterrij die meestal klinkt als we, wa of betekent ‘verbindingshaak’ of koppeling. Behalve symbool van de rechtop gaande ‘mens’ (die bestemd is om de verbinding te onderhouden tussen de Schepper en de overige schepselen) is de Wav één van de meest dienstdoende letters. Het is een echte ‘koppelaar’ die verschillende woorden aan elkaar kan koppelen: shámajim we ‘árets (hemel én aarde) en tohú bhohú (woestenij én leegheid) maar die ook zinnen aan elkaar kan verbinden.
Meestal vertalen wij deze koppelaar met ons woordje en: hemel en aarde, woest en ledig. Maar de Wav is een letter met een meervoudige betekenis. Dat blijktvooral als hij dienst doet als voegwoord tussen twee zinnen of zinsdelen. Dan kan de Wav niet alleen én betekenen in een normale vervolgzin, maar ook zodat of opdat en doordat of omdat. Verder kan de Wav ook doelen op een radicale tegenstelling, en dan is de meest gangbare vertaling: maar of doch.
Tenslotte kan de Waw, deze multifunctionele dienstdoener, nog iets zeer verrassends doen: hij kan verbinding leggen tussen verschillende werkwoordstijden. Door middel van de Wav kan een voltooide tijd ineens verspringen naar een onvoltooide tijd. Officieel heet hij dan de Wáv hahipukh, letterlijk ‘omkerings-Wav’, maar men zou hem ook de verspringings-Wav kunen noemen. In onze taal kennen we dit verschijnsel ook wel, in zinnetjes waar we iets op een levendige manier willen vertellen. Zoals in: ‘gisteren keek ik uit het raam, ‘k zag de buurman bezig in zijn tuin, en daar steekt hij ineens zijn hand op en zwaait uitbundig; spontaan zwaai ik terug!
In de Hebreeuwse Bijbel, het grote Vertelboek over Gods scheppend en bevrijdend Handelen, wordt heel vaak deze levendige verteltrant door middel van tijdsverspringing toegepast. Met name ook in het scheppingsverhaal: het begint in de voltooide tijd (vers 1,2) en gaat over in de onvoltooide tijd (vers 3). In de Naardense Bijbelvertaling wordt deze levendige Hebreeuwse verteltrant heel goed weer gegeven: na de voltooide tijd in Gen.1:1 en 2 gaat de vertelling ineens verder met: en ‘dan zegt God: er kome licht!- en er kómt licht. God ziet het licht aan, ja, het is goed!’ 
Maar wat heeft dit lange Wav-verhaal nu te maken met de uitleg van Gen.1 vers 2. In dit Bijbelvers doet de Wav vier keer dienst, niet alleen om tohú (woestheid) te koppelen aan bhohú (levenloze leegte), maar ook als koppelaar tussen vers 1 en 2, en tussen de drie zinsdelen van vers 2. Maar het gaat nu vooral om die eerste keer, waarbij de Wav zin 2 koppelt aan zin 1: ‘we-há’árets hájetáh tohú wábhohú’ (en de aarde was geworden woest en ledig). Let op: de Wav staat hier vóór het woord ‘aarde’ en niet vóór een vorm van het werkwoord hájáh! Het is dus volstrekt duidelijk dat hier geen sprake van een verspringings-Wav, die de voltooide tijd uit vers 1: bárá’ (Hij heeft geschapen) zou koppelen aan een onvoltooide tijd in vers 2 en die daardoor een verassend levendig effect zou meegeven aan het scheppingsverhaal.
Theoretisch zou het wel gekund hebben dat er in plaats van we- há’árets hájetáh (en de aarde was geworden: voltooide tijd!) gestaan had watehi há’arets (met een Wav vóór de onvoltooide tijd). De vertelling over het scheppingsgebeuren zou dan het volgende levendige verloop hebben gehad: ‘in het begin (of: met beginsel = met/door het Woord, door Zijn Stem) heeft God de hemel en de aarde geschapen… en dan komt daar ineens die aarde tevoorschijn, ongevormd nog en helemaal leeg’. Ongevormd zoals de natte kleiklomp die een pottenbakker in handen heeft voor hij aan zijn scheppend werk begint. Het doet dan inderdaad denken aan Psalm 139 vers 16, dat de Statenvertaling weergeeft als: ‘Uw ogen zagen mijn ongevormde klomp’.
Maar, eerlijk is eerlijk, dat staat er niet! Er staat niets over een ‘ongevormde klomp’(daarover straks meer bij tóhú wá bhóhú) en er staat helemáál niets wat lijkt op een verspringings- Wav die de voltooide tijd, bárá’ ‘élóhim (God heeft geschapen) koppelt aan aan een onvoltooide tijd. Er staat in vers 2 een voltooide tijd !! zonder een Wav er vóór!! Wat wil dat zeggen? Dat betekent: in de beide eerste verzen van Gen.1 gaat het niet om een logisch-ordelijke verhaallijn, waarbij de vertelling verlevendigd wordt doordat de werkwoorden uit zin 1 en 2 aan elkaar gekoppeld worden, zoals verderop in het scheppingsverhaal. Er is geen sprake van een doorlopende verhaallijn. Integendeel: er ligt een diepe breuklijn in het begin van het scheppingsverhaal. Het gaat in Gen1:1 en 2 niet om twee gebeurtenissen die in elkaars verlengde liggen, maar om twee totaal verschillende historische feiten die volstrekt haaks op elkaar staan. In vers 1 gaat het over het ontstaan van de schepping, en vers 2 beschrijft Gods Reactie op de verwording van Zijn schepping. In vers 2 gaat het niet over de ongevormde klomp, een begintoestand, maar over de tohu wabhohu: een huiveringwekkende eindtoestand na een gericht van God, zoals later bij de Zondvloed en bij Sodom.
Om die breuklijn in de vertaling tot uitdrukking te brengen zou de Wav aan het begin van vers 2 het best kunnen worden vertaald met ‘maar’: ‘maar de aarde was tot woestenij en ledigheid geworden’.
De slotconclusie van dit lange Wav-verhaal is dus dat het ontbreken van de verspringings-Wav geen deugdelijk argument kan zijn tegen de opvatting dat vers 2 doelt op een gerichtshandeling.
Het is net andersom: het ontbreken van deze verspringings- Wav is juist een argument er vóór: het feit dat er aan het begin van vers 2 géén Wav staat vóór het werkwoord hájáh, geeft aan dat het scheppingsverhaal géén doorlopende, vloeiende verhaallijn kent, maar dat er een diepe breuk ligt tussen vers 1 en vers 2.
* Zoals gezegd komt de Wav invers 2 vier keer voor. De vierde keer voor het woord ‘ruach’ (geest, adem, wind). Een interessant gegeven is dat deze vierde Wav - we-ruach (en de Geest van God bewoog Zich) zowel met ‘én’ als met ‘maar’ of ‘doch’ kan worden vertaald. De vertaling met én geeft een verrassende zin, maar daarover straks meer bij de uitleg van tóhú wá- bhóhú. Als men behalve de eerste Wav ook deze vierde vertaalt met ‘maar’ of ‘doch’, wordt de beschrijving aldus: ‘maar de aarde was woest en ledig geworden, en duisternis was over de watervloed, doch de Geest Gods zweefde over het water’. Deze vertaling geeft aan dat God ondanks Zijn razende Toorn over wat er wat Zijn scheppingwerk geworden is, Zijn aarde niet los laat. Hij laat niet varen wat Zijn Hand begon, Hij blijft Aanwezig! Ja, deze Aanwezigheid van Gods Geest is zelfs te zien als het begin van het herstel: een ‘broedend zweven’ over een nog volledig ‘Dode Zee’.
 
In het scheppingsverhaal staat deze merkwaardige woordcombinatie die slechts drie keer in de Bijbel voorkomt:  W h t  tohú gekoppeld aan W h b  bohú . Behalve hier in Gen.1:2 staat het in Jes.34:3 en Jer.4:23.
Het woord tohú hangt wellicht samen met het werkwoord táwah: bekrassen, bekruisen beschadigen, beledigen, verminken, en vandaar ook: verwoesten, vernietigen’(1.Sam. 21:13, Ps.78:41, Ezech. 9:4). Het woord  
W h b  bohú, dat letterverband heeft met a A b bó’ (komen, terugkeren), betekent leegheid, verlatenheid : waar God de Schepper terugkeert naar Zijn uitgangspunt, Zich terugtrekt uit Zijn schepping ontstaat een immense leegte en een allerdiepste duisternis.
Het woord tohú komt vaker voor, maar bohú alleen in combinatie met tóhú. In Jes.34:11staat deze woordcombinatie in het kader van een Godsgericht: ‘Hij spant over haar (= Edom als de voorhoede van de volkerenwereld, zie vers 1) het meetsnoer van de woestheid  W h t - w q  (qav – tohí ) en het paslood van de leegheid  W h b - y n b a (`abhnej- bhohú –letterlijk: de passtenen). Dat wil zeggen: Ik (God) maak het land tot woestheid en leegheid. Datzelfde geldt voor Jer.4:23, waar God Zijn gericht aankondigt over Juda en Jeruzalem: ‘Ik heb het land gezien en zie: woestheid en leegte’. En even verderop –  ~ y r A a ! y a : geen lichten. Dat wil zeggen: er is geen zon, geen maan en geen sterrenhemel te zien, een totale duisternis komt over het land als in Egypte, als op Golgotha.
Dus twee van de drie keer komt tóhú wá bhoóhú voor als beschrijving van een Godsoordeel. Het is niet aannemelijk dat het dan in Gen. 1:2 anders zou zijn. Als de woordbetekenis duidelijk in de richting wijst van en Godsgericht, en aks bovendien het woordgebruik verderop in de Bijbel exclusief doelt op een Godsoordeel, waarom zou tóhú wá bhoóhú hier dan doelen op een beginstoestand, op een ongevormde natte kleimassa, als een klomp leem van een pottenbakker? Daar is geen enkele andere reden voor te bedenken dan het vooringenomen, subjectieve standpunt dat het in Gen. 1:2 gaat om een begintoestand, om een soort baarmoederlijk begin van mens zijn, zoals Ps.139 dit beschrijft: ‘Uw ogen zagen mijn vormeloos begin’.
Het is trouwens goed om die tekst, Ps.139:16, nog even onder de loep te leggen. Want de vertaling ‘vormeloos begin’ of ‘ongevormde klomp’ is niet helemaal correct. Er staat het woord  m l g  golem dat samenhangt met m A l g  gálóm (mantel, Ez. 17:24) en ook met  m l g  galam: inwikkelen, samenbundelen, oprollen. Het woord wordt gebruikt in 2 Kon. 2:8, waar staat hoe Elisa de mantel die hij van Elia gekregen heeft zo stevig oprolt, opvouwt of bundelt dat hij daarmee kan slaan op het water van de Jordaan, zodat er een droge doorgang ontstaat. De letterlijke woordbetekenis van         m l g  golem in Ps.139: 16 doelt dus niet op een ‘vormeloos begin’, maar op iets dat in principe algevormd’ ís, op een ‘beginsel waar al een patroon in zit (als in een mantel): op een beginsel van mens zijn, op een intense bundeling van Goddelijke, creatieve kracht. Met andere woorden: een embryo in de baarmoeder is geen vormeloos klompje vlees dat men zonder scrupules zou mogen verwijderen. Maar het allereerste begin of beginsel van ons mens zijn is een ingewikkeld wezen = is - in Bijbelse taal – een naam: ‘Ik, uw Schepper en Formeerder heb u bij uw naam geroepen!’ (Jes.43:1). Een naam is een ‘opgerold’, compact en ingewikkeld woord, en een woord is meer dan een klankcombinatie, het is een ‘werkzaam wezen’: het begin van ons mens zijn is een naam-wezen, een mens in de knop die zich ontplooien wil tot een bloem van een kind.
Dus ook de verwijzing naar Ps.139: 16 is geen deugdelijk argument voor de opvatting dat het in Gen.1:2 gaat om een nog ‘vormeloos begin’ van onze aarde. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat tohú wábhohú doelt op een baarmoederlijke begintoestand. Integendeel juist op chaos, op ‘ultieme warboel’, op woestheid en ledigheid, op een Godsoordeel als bij de Zondvloed en bij Sodom. Een gerichtshandeling die volgens de profeet Jesaja niet tot het verleden behoort: ‘Zie, de HERE ontledigt en verwoest en de aarde, keert haar onderste boven’. De woorden ‘ontledigen’ en ‘verwoesten’ zijn kenmerkend voor een Godsgericht, niet voor een baarmoederlijk begin (Jes. 24:1).
* Dat de woordcombinatie steeds in direct verband staat met het Handelen Gods weerspiegelt zich ook in de wijze waarop de woorden verweven zijn met de GodsNaam. De woorden  W h t  tohú   W h b  bohú hebben twee GodsNaamletters gemeenschappelijk: Hé’ en Wav. Het verschil tussen tohú en bohú wordt gevormd door de letters Tav (= teken dat duidt op zelfovergave) en Beth (= huis, woning) Beide letters zijn verweven met het unieke Handelen van Israëls God: Zijn Zelfovergave voor onze bevrijding en Zijn uiteindelijke programma om deze verworden wereld te (her)vormen, te scheppen tot Zijn Woning met de Tempelberg in het centrum. 
** Dat in het moderne Iwriet de woordcombinatie ‘tohú wábhohú’ ultieme warboel of chaos betekent is geen bewijs, maar het ondersteunt wel de opvatting dat het in Gen.1:2 niet gaat om een nog ongevormde begintoestand.
*** Eerder is gezegd dat de tweede Wav in vers 2 zowel met ‘maar’ als met ‘én’ te vertalen is. De eerste variant geeft aan dat God Zijn schepping niet loslaat: al is deze bijna tot nul teruggebracht, Hij laat wat Zijn Hand begon niet uit Handen vallen. Maar wat betekent het als de Wav gewoon met ‘en’ wordt weergegeven? Verrassend wordt de zin als men dan ook in plaats van de Geest Gods leest: de Adem of de Wind Gods. Dan voegt dat een extra dimensie toe aan het huiveringwekkende van de tohú wábhohú: de Adem Gods, die als een de razende storm-Wind (zoals later op het meer van Galilea) giert over de donkere watervloed, als teken van Gods razende Toorn. Een ontzettend, schrikwekkend Godsgericht!
**** Bij Gen.1:1 staat geen datering, maar datzelfde geldt voor Gen.1:2. De tijd tussen vers 1 (schepping) en vers 2 (gericht) kan mateloos lang zijn. God is eindeloos geduldig. Hoe lang heeft Hij gewacht vóór Hij ingreep bij de Zondvloed: pas toen de aarde vól was van geweldenarij, en ook nog na een langdurige, uitdrukkelijke waarschuwingstijd tijdens de bouw van de Ark!
Wij hebben trouwens nauwelijks enig besef hoe innig de samenhang is tussen God en de tijd waarin wij dagelijks verkeren: in Hem zijn verleden, heden en toekomst één zoals uitgedrukt wordt in de werkwoordsvormen van het werkwoord hájáh die samen de naam JHWH vormen; tijd is een vorm van Zijn Aanwezigheid: ‘we bewegen ons in Hem’ (Hand.17:28). En we hebben helemaal geen besef hoe innig het verband is tussen God en geduld. Zonder te beseffen leven we daar dagelijks van, totdat Zíjn tijd gekomen is om te richten = om recht te zetten waar wij een tohú wábhohú hebben aangericht (Jes.24:1).  
 
Nergens in de Hebreeuwse Bijbel komt het dynamische werkwoord van de GodsNaam hájáh voor in de non-betekenis van het koppelwerkwoord ‘zijn’. Zoals eerder gezegd ‘werkt’ het Bijbels Hebreeuws zonder dit koppelwerkwoord: het onderwerp wordt zonder meer gekoppeld aan het naamwoord. De zin uit Gen.1 vers 4 - wajar Elohim ’et há’ór kí tóbh – vertalen wij steevast met behulp van het koppelwerkwoord ‘zijn’ (is, was etc.): ‘en God zag dat het licht goed was’. Maar in de grondtekst staat helemaal geen werkwoord, geen enkele vorm van het werkwoord hájáh: rechtstreeks wordt ‘ór (licht) gekoppeld aan tóbh (goed). Vele keren in het scheppingsverhaal wordt deze zin herhaald: ‘en God zag dat het goed was’ - wajar ‘Elohim kí tóbh-  steevast zonder een vorm van ‘hájah’ als ‘koppelteken’. Ook komt het werkwoord hájáh niet voor in Gen.3 vers 9: ‘ajekáh – de bekende Bijlelse kernzin die gevormd wordt door slechts vier Hebreeuwse letters en waarin God Adam ter verantwoording roept: ‘waar zijt gij?’
In feite is ons werkwoord ‘zijn’ helemaal geen wérk-woord, want er zit geen echte werking is, het is letterlijk een werkwoord van ‘niks’. Het doelt niet op een werk-elijke handeling zoals scheppen, doen, zien etc., maar uitsluitend op een toestand, op een statische stand vanzaken, op een (be)staande (toe)stand,  zoals de zon aan de hemel staat, vast en onbewegelijk: de bewegingen die we menen te zien zijn ‘ogen-schijnlijk’. Eerder is er al opgewezen dat ons woord ‘zijn’ wellicht samenhangt met het Griekse zèn dat verband houdt met de godennaam Zeus, de ‘stralende licht- of zonnegod’ wiens naam verbogen wordt als: zènos, zèni en zèn. En ‘zijn’ zou ook kunnen samenhangen met het filosofische begrip ‘het zijnde’, als aanduiding van de Oerstof of het Oerlicht, dat ons omringt en waarvan we in wezen allen kleine onderdeeltjes zijn, ‘vonkjes’ uit het Grote Goddelijke Vuur.
Omdat ‘zijn’ eigenlijk een werkwoord zonder werking is en slechts doelt op een toestand, is het ook nauwelijks te vervoegen, te vervormen: hetkangeen persoonsvormen (ik, jij, hij) aannemen. Alleen in de majesteitsvorm ‘gij zijt’ en in de wensvorm ‘er zij’ komt de grondvorm enigszins in beweging. Maar voor de restzithetwoord muurvast. Om dan toch aan dit statische, werkwoord een soort werking toe te dichten, worden andere werkwoorden te hulp geroepen en zo is met kunst en vliegwerk in alle Westerse talen een ratjetoe van vervoegingen ontstaan: ik ben, hij is, jij was, jullie waren, hij is geweest enz., vormen waarin niets van de originele grondvorm van het woord ‘zijn’ terug te zien is*.
* Vergelijk daarmee maar eens werkwoorden als ‘maken’ of ‘lopen’, waarbij de grondvorm in alle persoonsvormen terug te vinden is: ik maak, jij,hij maakt enz.
 
Hoe totaal anders is het Hebreeuwse dynamische werkwoord hájáh. Het unieke werkwoord dat met al zijn letters en in al zijn vervoegingen verweven is met Israëls God, de ‘Totaal Andere’, Die werkelijk werkt, Die roept, schept, ziet, oordeelt, bevrijdt en heiligt! Hij is niet de statische godheid van de Griekse wijsgeren en van de verlichte Westerse filosofen: Hij ís niet, Hij (be)stáát niet, Hij verkeert niet in een onbewegelijke toestánd, zelfgenoegzaam weggedoken in Zichzelf. Maar Hij geschiedt, Hij gebeurt, daadwerkelijk. Hij is niet ‘wezig’ inwazige verten,maar Hij is Aan-wezig, hier en nu! Hij is de Altijd en Alom Aanwezige: Hij was en is en zal erbij zijn. Het diepste Wezen van Israëls God is Zijn Aanwezigheid, zoals Hij Zichzelf onthuld heeft in Zijn NAAM Die een samenvatting is van de drie werkwoordsvormen van hájáh, de voltooide vorm, deelwoordvorm en onvoltooide vorm: hájáh, howeh, jihjeh = Hij was, is en zal ook in toekomst actief aanwezig zijn. Hij is de Altijd Werkende, Geschiedende Scheppende, Bevrijdende en Heiligende God.
Het is in-en-in diepdroevig dat nagenoeg alle Bijbelvertalers dit dynamische, diepzinnige en meest werkzame Bijbelse werkwoord hájáh, het werkwoord van de GodsNaam, vertalen met een vorm van dat on-zinnige ‘zijn’! Ook de Naardense Bijbel vertaling kon er kennelijk niet aan ontkomen: de aarde is geweest woest en ledig!
Het isnietalleen diepdroevig, het is ook misbruik. De Torah verbiedt het Godsvolk om de GodsNaam JHWH - die onlosmakelijk verweven is met drie schatrijke werkwoordsvormen van hájáh– ijdel te gebruiken. Wat is ‘ijdel gebruik’? Letterlijk staat er: ‘gij zult de Naam niet opheffen (násá’ ) tot het ijdele’ (le-shav) = tot iets nietszeggends. Hoe heffen wij de GodsNaam op iets ‘ijdelheid’? Het is weinig of nietszeggend als men de Naam JHWH weergeeft met het vlakke woord ‘Eeuwige’. Ook het woord ‘HERE’, hoe zinvol en eerbiedig ook bedoeld, doet in feite te kort aan de schatrijke inhoud van de Naam als samenvoeging van hájáh, howeh, jihjeh: Hij is geschied, is geschiedend en zal geschieden= Hij is de Altijd Aanwezige. Hoeveel te meer als men de hele schatrijke inhoud wegwist door het werkwoord van de NAAM op te heffen tot een vorm van het nietige, het nietswaardige non- werkwoord ‘zijn’. Israëls God benoemen met bleke namen als ‘HERE’ of ‘Eeuwige’ is op zich al een vorm van ijdel gebruik. Maar de Naam wordt volledig ontledigd waar men stelselmatig, zoals in de vertaling van het scheppingsverhaal hájáh degradeert tot een koppelwerkwoord, tot een vorm van het nietszeggende, on-zin-nige ‘zijn’.
 
* Het is merkwaardig dat de Joodse vertalers van de Hebreeuwse Bijbel stelselmatig in heel Gen. 1 het werkwoord hájáh vertaald hebben met een vorm van het zinvolle Griekse werkwoord ginomai (gebeuren, worden). Zoals in vers 3: kai egeneto phoos: er gebeurde licht. En zo zonder uitzondering tot het laatste vers toe… Behalve echter de eerste keer: in vers 2!! Nota bene, daar wordt hájáh weergegeven met èn (was): hè gè èn aoratos (= de aarde was woest). Waarom hier niet egeneto? Waren de Joodse vertalers in hun zeer vergriekste woonplaats, Alexandrië, mede beïnvloed door de Griekse visie op de eeuwig zijnde (Goddelijke) ongevormde oerstof, de oernatuur die onnoemlijk veel vormen kan aannemen zoals de natte kleiklomp in de hand van de pottenbakker? En hebben zij zodoende alle latere vertalers op het verkeerde been gezet? 
 
Er is gegronde reden om te stellen dat vers 2 van Gen. 1 doelt op een Godsoordeel, want:
a.       Het werkwoord hájáh kan onmogelijk vertaald worden als een nietszeggend koppelwerkwoord. Dit dynamische werkwoord van de NAAM doelt altijd op een handeling. Of positief óf negatief: een scheppende, bevrijdende, heiligende handeling of een gerichtshandeling. Dus vers 2 kan geen beschrijving zijn van een bestaande begintoestand, maar beschrijft een gebeurtenis: de aarde was woest en ledig geschied (geworden).
b.      De woordbetekenis van tohú wábhohú duidt niet op een nog ongerepte begintoestand, op een soort baarmoederlijk begin, maar verwijst duidelijk en overtuigend naar een verwoestende gebeurtenis, in lijn met Jes.24 vers1 : ‘Zie, de HERE verwoest en ontledigt de aarde en keert haar onderste boven’. Bovendien en dat bevestigt de woordbetekenis, komt de term tohú wábhohú verder in de Bijbel alleen voor ter aanduiding van een gerichtshandeling (Jes.34:3 en Jer.4:23).
c.       De Wav aan het begin van vers 2 staat niet voor een werkwoord en is dus een gewoon voegwoord (en of maar). Er is hier dus geen sprake een verspringings- Wav die de voltooide tijd (perfectum) zou doen overspringen naar een onvoltooide tijd (imperfectum consecutivum), waardoor de verhaallijn niet alleen zou worden voortgezet (consecutivum betekent ‘vervolgend’ of ‘opeenvolgend’), maar waardoor de vertelling ook verlevendigd zou worden. De Wav aan het begin van Gen.1 vers 2 - we- há’árets hájetáh - kan het best vertaald worden met het voegwoord ‘maar’, dat doelt op een breuklijn in het scheppingsverhaal, aldus: ‘met het Beginsel (Woord) heeft God de hemel en de aarde geschapen, maar de aarde was woest en ledig geworden’.
d.      God schept geen chaos, maar Hij kan wel onze wanorde ondersteboven keren en een radicaal gericht oefenen over onze maatschappelijke, economische, ethische en religieuze bouwsels en stelsels die niet gefundeerd zijn in Zijn Richtlijnen voor het ordenen van de tijd en het aardse bezit. Zoals Hij deed met de verdorven stadscultuur van Sodom en met de door geweld verziekte samenleving van vóór de Zondvloed.
Of nog korter samengevat: Gen.1 vers 2 beschrijft de gevolgen van een Godsoordeel, omdat
a.       het werkwoord hájáh, dat onlosmakelijk verweven is met de GodsNaam geen nietszeggend koppelwerkwoord kan zijn, b. de verspringings- Wav ontbreekt en er dus geen sprake is van een doorlopende verhaallijn, maar juist van breuklijn.
b.      de woordbetekenis van tohú wábholú en ook het gebruik er van in andere teksten niet doelt op een ongevormde begintoestand maar op een Godsoordeel.
c.       nergens in de Bijbel een aanwijzing staat dat God de Schepper Zijn scheppingwerk begonnen is met een chaotische modderpoel.
 
De beschrijving van schepping en oordeel in Gen.1: 1, 2 - die ook te zien als een vóórspel of preludiun op de Zondvloed, de ondergang van Sodom en op het naderende gericht over de warboel en geweldenarij in onze moderne wereld (Jes.24:1; Openb. 18: ) - is tegelijk een verwijzing naar het naderende herstel. Want het doel van de komende en al in gang gezette gerichtshandeling over onze huidige, verworden wereldsamenleving is niet een totale vernietiging, maar een vernieuwd begin: ‘Hij laat niet varen wat Zijn Hand begon’. Zoals Hij de lege en levenloze aarde van Gen.1 vers 2 weer tot leven heeft geroepen, zo zal Hij ook de Dode weer doen herleven: ‘overal waar de beek komt zal alles leven’ (Ezech. 47:10). En de dorre vlakten en woestijnen, die in onze oververtechniseerde en oververstedelijkte wereldcultuur onweerstaanbaar opdringen – zelfs de trekvogels komen in de knel – zal Hij weer doen ‘juichen en bloeien als een narcis’ (Jes.35:1).
Met dit herstel heeft Israëls God intussen al een verrassende start gemaakt. Sinds de verbazingwekkende terugkeer van Zijn volk naar het eeuwenlang verwaarloosde Beloofde Land zijn daar alle dampende moerassen gedempt en is het verwoeste land weer bewoonbaar gemaakt met welvaart voor miljoenen bewoners. Wie ogen heeft om te zien, ziet niet alleen de tekenen van het naderende oordeel, maar ook van het beginnende herstel. Zie, hoe in het land Israël de woestijnen bloeien! Kom en zie, hoe met name de Noordelijke Negev in enkele tientallen jaren tot ongekende bloei is gekomen! Bekijk het zelf maar eens! Kom en zie Sde Tswi… en… bouw mee! (leerland@gmail.com). 
 

Het herdenkingsjaar van Darwin’s 200e geboortedag heeft in Christelijke kring een vrij heftige discussie in gang gezet over het scheppingsverhaal.
De beroemde bioloog Charles Robert Darwin, die met zijn boek ‘ On the origine of species’ (over de oorsprong van de soorten) het scheppingsverhaal onderuit gehaald heeft, werd geboren op 12 Februari 1809. Dat was precies negen dagen na de geboorte van Felix Mendelssohn Bartholdy, de begaafde en in zijn tijd zeer beroemde componist die de Mattheüs Passion, het hart van het Bijbelse herscheppingsverhaal uit de vergetelheid heeft opgehaald. Een merkwaardige samenloop van gebeurtenissen of ‘toledot’. ‘Toledot’ is het Hebreeuwse woord voor geschiedenis. Volgens de Hebreeuwse visie is de geschiedenis een reeks van geboorten. Vandaar de vele geslachtsregisters: ze vormen de ruggengraat van de Hebreeuwse Bijbel. De Bijbelse geboortereeks, de Bijbelse geschiedenis dus, begint met de ‘geboorte’ van de schepping. Zo staat het ook letterlijk in de Statenvertaling: ‘dit zijn de geboorten (toledot) van de hemel en de aarde’ (Gen.2:4). Deze toledot krijgen een hoogtepunt in de geboorte van Adam, het unieke menselijke wezen dat in onderscheid van alle andere schepselen rechtstreeks, zonder tussenwezens, in contact kan komen met Zijn Schepper en dat ook rechtstreeks aanspreekbaar is: ‘Adam, waar bent U, waar en waarom verbergt u zich voor Mij?
* Darwin die zijn carrière begon als christen theoloog, was de kleinzoon van Erasmus Darwin, een geleerde arts die in zijn boeken ‘Zoononia’ (over de wetten voor organisch leven) en ‘The temple of nature’ (over de natuur als tempel) de evolutie gedachte al had uitgesproken. Darwin beschrijft zelf hoe hij gaandeweg van een Bijbelgetrouw gelovige een ongelovige werd. Eerst werd voor hem het scheppingsverhaal en daarna de hele Bijbel een verzameling van religieuze, mythische gedichten en verhalen, op één lijn met de boeken van de Hindoes, en daarna verdween bij hem ‘slowly slowly’ het hele christelijke geloof: ‘Zo bekroop mij geleidelijk het ongeloof, maar tenslotte was het volkomen, het ging zo langzaam dat het mij geen verdriet deed’ (prof.dr.J.Lever in Chr. Encyclopedie s.v. ‘Darwin’). 
Ook Felix Mendelssohn had een zeer geleerde grootvader: hij was de kleinzoon van de beroemde Joodse filosoof Mozes Mendelssohn die min of meer in het spoor van Maimonides en Philo de eenheid zocht tussen de Bijbelse en de filosofische of wetenschappelijke kennis. Felix Mendelssohn was niet alleen geboeid door het vrijwel vergeten meesterwerk van Johan Sebastian Bach, de Mattheüs Passion, maar was ook zelf een geniale componist, een muzikaal wonderkind: op 17 jarige leeftijd componeerde hij zijn nog steeds indrukwekkende, ouverture Sommernachtstraum.
 
De discussie in Christelijke kring spitst zich nu vooral toe op de vraag of we Genesis 1 al of niet letterlijk moet lezen. Is de aarde in zes dagen geschapen, dus heel jong - volgens letterlijke, Bijbelse telling ongeveer 6000 jaar - of moet het begin van Genesis gelezen worden zo niet als een religieuze mythe dan toch als een poëtische lofprijzing op de Schepper zonder enige verwijzing naar historische of natuurkundige gegevens?
De eerste stellingname - dat de aarde in zes dagen geschapen is - roept de theologische vraag op: schept God ook chaos? Immers vóór er verteld wordt over de schepping in zes dagen is er in Gen.1:2 sprake van een chaotische toestand, van een aarde ‘woest en leeg’, zonder enig leven, een onbewoonbare modderpoel. Heeft God deze chaos geschapen?
Bijbels gezien is dit eigenlijk een ongepaste, onbehoorlijke vraag! Immers alles wat God schept is goed, supergoed zelfs (Gen.1:30). De wantoestanden in Zijn schepping, komen door het wangedrag van Zijn schepselen die zich rebels gedragen tegenover Hem als Schepper en Eigenaar. Of anders gezegd: die zich laten beïnvloeden door negatieve geestelijke krachten. Met als gevolg dat Gods Werk een warboel wordt, met gewelddadige verdrukking van al het zwakkere en tedere dat aangewezen is op de bescherming van de sterkeren. En als tenslotte de schepping volledig ten onder gaat, ‘woest en leeg’ wordt, komt dat door Gods Reactie op dit wangedrag. Zoals bijvoorbeeld in het vervolg van Genesis staat, waar verteld wordt over het wangedrag van de mensheid vóór de Zondvloed en van de mensen in Sodom. Als Reactie op deze rebellie heeft de Schepper Sodom onderste boven gekeerd en de gewelddadige samenleving in de dagen van Noach laten wegzinken in de oervloed. God schept geen chaos!! Maar Hij kan wel in Zijn ziedende Toorn Zijn verdorven schepping onderste boven ‘schoppen’. Volgens de Bijbel is deze goddelijke Reactie niet alleen geschiedenis, maar ook toekomst: ‘zie, de HERE ontledigt en verwoest de aarde, keert haar ondersteboven’ (Jes.24:1; Openb. 8 e.a.).
De tweede stellingname, dat het begin van Genesis een vrome poëtische lofprijzing is, roept de literair kritische vraag op: waar eindigt de poëzie en waar begint dan het proza van de geschiedenis? Is het paradijsverhaal met de rebelse Adam en Eva ook religieuze poëzie of mythologie? En begint de Bijbelse geschiedenis pas bij de Zondvloed, of bij de Torenbouw van Babel of pas bij Abrahams roeping met de belofte: ‘dit Land zal Ik u geven voor altijd’? Of is heel de Hebreeuwse Bijbel vrome fictie en begint het proza van de geschiedenis pas bij het herscheppingsverhaal van de Mattheüs Passion? Of is dat ook een religieuze inkleding van verheven gedachten? Waar ligt de grens: wat is artistieke literaire verbeelding en wat niet? En wie maakt dat uit? Wat zijn de literaire criteria daarvoor?
Er is een basisregel voor tekstverklaring: elke literaire tekst die deze naam waard is, is zijn eigen uitlegger en heeft in principe geen hulp van buitenaf nodig, geen kennis van de letterkundige geschiedenis en biografische bijzonderheden etc. Een echt gedicht of literair proza ‘openbaart’ zich voor de aandachtige lezer op eigen kracht; hoewel meestal pas goed en ten volle in het kader van heel het oeuvre van de auteur. Ook de Bijbel als hoogwaardige, zelfs hoogst-waardige literatuur, - een ‘profetisch literair kunstwerk’ van de Bovenste Plank’ – is in staat zich zelf uit te leggen, door aandachtig te luisteren naar wat er letterlijk staat en door Schrift met Schrift te vergelijken. De Bijbel spreekt voor zichzelf en bepaalt zelf wat gelezen moet worden als een loflied, zoals het lied van Mozes, van Deborah en van David (Ex.15; Richt.5; 2.Sam.22) of als een gelijkenis, zoals de parabel van de doornstruik (Richt.9:7-15), én wat duidelijk bedoeld is als profetische weergave van gebeurtenissen, van toledot. Iedere onbevangen literair-wetenschappelijke onderzoeker die zonder vooroordeel het boek Genesis gaat analyseren, zal tot de conclusie komen, 
1.       dat er in Genesis nergens een duidelijke literaire grens te trekken is, waar de religieuze poëzie overgaat in het proza van de geschiedenis; niet tussen Gen.1 en 3, en ook niet tussen Gen. 1-3 en de rest, en 
2.       dat Genesis een boek is met één duidelijke bedoeling: het wil onder een zeer bepaalde belichting, vanuit een specifiek uitgangspunt een weergave zijn van gebeurtenissen (toledot).
 
Men kan de feitelijkheid van die gebeurtenissen betwisten, maar het is onbetwistbaar dat het boek gebeurtenissen wil beschrijven. Het is opvallend dat veel Bijbelse poëzie juist dienstbaar is aan dit proza van de geschiedenis, zoals duidelijk blijkt in lofliederen op schepping en geschiedenis (Ps.104 Ps.106). Op dit punt is het Genesisboek voor iedere onbevangen lezer en onderzoeker ‘van zelf sprekend’. Daarom is het is toch onmogelijk om met een gerust literair geweten het scheppingsverhaal uit Genesis 1 op één lijn te zetten met een Psalm van David of met één van de gelijkenissen uit de Evangeliën? Zeker, Genesis 1 is geen journalistiek verslag, maar een profetisch-literaire rapportage van het begin van Gods geschiedenis op aarde, van Zijn scheppende, oordelende en bevrijdende Aanwezigheid onder ons.
* Een citaat uit de Bijlage van het studieboek ‘Hebreeuws in Zes Dagen’(zie notitie onderaan deze tekst): De Bijbel is geen gewoon geschiedenisboek. Maar de geschiedenis is wel een wezenlijk deel van de Bijbelse Boodschap. Want het gaat in de Bijbel niet om ficties, maar om feiten, om feiten die in een visionair licht zijn gezet, in Gods Licht. Anders gezegd: de Bijbel is geen gewone literatuur, maar profetische literatuur. Bij gewone literatuur, zoals bij historische romans, worden feit en fictie vermengd: de historische gegevens worden in het kader gezet van de eigen, fictieve voorstelling of verbeelding. Bij profetische lectuur worden de feiten geordend vanuit een profetische visie = vanuit een directe Godsopenbaring’.
 
Er kan in principe geen conflict zijn tussen Bijbel en wetenschap. Immers de Bijbel is het Schrift geworden Woord van God en de schepping is door Zijn Woord geworden. Maar wat dan, als de uitleg van Genesis 1 in strijd is met de resultaten van de wetenschap? Dan is dat jammer voor de wetenschap! Of: jammer voor de Bijbeluitleg! Dan moeten de wetenschappers hun vooronderstellingen of hun gevolgtrekkingen op basis van gevonden feiten kritisch herzien. Of dan moeten de Schriftgeleerden hun huiswerk overdoen: nauwkeuriger Genesis 1 gaan lezen, woord voor woord en eventueel letter voor letter. Want elke Hebreeuwse letter heeft zijn eigen unieke waarde.
In verband met de Darwindiscussie is het goed enkele woorden uit het scheppinsgverhaal nog iets nauwkeuriger te bezien. Met name de woorden reshiet (begin, beginsel), hajetah (geschieden, worden), jom (dag), min (soort, aard) en ‘adam (mens). Maar eerst de letter Beth, die vóór reshiet staat.
1. De letter Beth (b) waarmee de Bijbel begint, be-reshiet, doet hier dienst als voorzetsel en kan ‘in’ betekenen, maar ook ‘met’, ‘bij’ of ‘door’? Dat de Beth hier op een unieke plek staat, vóóraan in de Heilige Schrift, is bijzonder zinvol. Want de Beth vertegenwoordigt behalve deletterklank ‘b’ ook het cijfer twee. En tweeheid kenmerkt heel het scheppingsverhaal: God maakt tweeheid door te scheiden tussen dag én nacht, tussen aarde én water, tussen man én vrouw, tussen de Shabbat én de overige dagen.
2. Reshiet, het eerste Bijbelwoord is zoals de meeste Hebreeuwse woorden veelzijdig en veelkleurig. Meestal wordt het hier vertaald als ‘begin’: ‘in het begin schiep God de hemel en de aarde’. Maar veel vaker betekent het eersteling (Lev.23:10) of beginsel, principe (Ps.111: 10 ). De vertaling van het eerste Bijbelvers kan dus ook zijn: met beginsel of met de eersteling schiep God de hemel en de aarde. Wat is het beginsel en wie is de eersteling? Volgens Ps.33: 6,9 en Joh.1:1 is Gods Woord het beginsel of de ‘grondstof’ waarmee Hij de wereld schiep: ‘God sprak en het was er!’ ‘Door het Woord is alles geworden’. In Openbaring 3:14 wordt de gekruisigde en opgestane Heer de ‘eersteling van de schepping’ genoemd. In het Grieks staat hier het woord archè dat te zien is als een vertaling van ‘reshiet’: met de Eersteling schiep God de hemel en de aarde. Volgens de Hebreeuwse traditie is het mannelijke offerlam dat Isaäk bevrijdde op de Berg Moria een gestalte van het Lam dat geschapen is vóórdat God begon met de schepping van de aarde. Wellicht wordt naar dit gegeven verwezen in 1 Petr.1: 20, waar de verschijning van de Messias wordt aangeduid ‘als een vlekkeloos Lam, tevoren gekend, vóór de grondlegging der wereld’.
[[* Het woord ‘bêreshiet’ is op zich al een diepzinnig openingswoord waarin de Bijbelse kernboodschap ‘besloten’ ligt. Maar aan de vijf letters ervan -Beth, Resh, Aleph, Shin,Tav - zijn ook nog een handvol Bijbelse sleutelwoorden te koppelen, die deze Boodschap verder belichten en ontsluiten: de Resh van Ruach (Geest, Adem); de Tav van Torah (onderwijzing), de Aleph van ‘Adam- Erets (de mens als Gods unieke vertegenwoordiger op aarde), de Shin van Shalom ( het Bijbels perspectief voor alle volken), en aan de Beth koppelt zich het werkwoord bérékh (dankzeggen, de meest menselijke kernactiviteit). Zo vormt zich aan dit Bijbelse openingswoord, be-reshiet, een ‘sleutelbos van woorden’ waarmee de Bijbelse Boodschap zich verder voor ons kan ‘openen’, ontsluiten.]]
 
** Nog een citaat uit de Bijlage van het Hebreeuwse Studieboek, over de vraag of een woord uit Genesis zonder meer vergeleken kan worden met hetzelfde woord uit Leviticus of de Psalmen? : “Op de keper beschouwd, literair-analytisch bezien is de Bijbel een verzameling taalfragmenten uit verschillende tijden en culturen. In dat opzicht lijkt de Bijbel op de grote meesterwerken uit de wereldliteratuur als de Ilias van Homerus of de Hamlet van Shakespeare. Men heeft beiden er wel van beschuldigd dat zij plagiaat gepleegd zou hebben: zij zouden diverse oude teksten hebben bewerkt, bijna niets is echt origineel. Maar het geniale van Homereus en Shakespeare is juist dat zij van deze oude taalfragmenten originele meesterwerken gemaakt hebben!
Ook de heilige Schrijver van de heilige Schrift, deze Literaire Grootmeester, heeft gebruik gemaakt van voorhanden materiaal, van oeroude overgeleverde taaldocumenten. Maar met geniale Meesterhand heeft Hij deze verschillende fragmenten uit diverse tijden bijééngeschreven tot een eenheid, tot één Origineel Meesterwerk van ongekende kwaliteit en ongeëvenaarde architectuur. De Bijbel is niet alleen inhoudelijk maar ook taalkundig een harmonieuze eenheid en geen lappendeken van diverse onderling verschillende ‘taallapjes’. Daarom is ‘Schrift met Schrift vergelijken’ dé grondregel voor Bijbeluitleg en kan een woord als reshiet in het ene verband (Leviticus of de Psalmen) licht afgeven aan hetzelfde woord in een ander verband (Genesis).
 
 3. Hajetah uit het tweede Bijbelvers - ‘de aarde was woest en ledig geworden (of: geschied)’- is een vorm van het werkwoord hájáh (aanwezig zijn, geschieden, worden). Het is een heel bijzonder werkwoord omdat het ook de ‘grondstof’ vormt voor de Naam van Israëls God: JHWH, de Altijd Aanwezige. Verder komt het in diverse vormen duizenden keren voor in de Hebreeuwse Bijbel. Geen wonder, want deBijbelishet Boek van Gods geschiedenis, van de ‘toledot’, van de ‘geboorten’: Hij geschiedt, ‘gebeurt’ ‘geboort’ onder ons!
Daarom is het merkwaardig, hoogst merkwaardig dat men meestal in Gen1:2 dit dynamische kernwerkwoord, hájetáh. niet vertaalt met een vorm van het werkwoord geschieden of worden - de aarde was woest en ledig geworden (of: geschied) - maar met een vorm van het statische, nietszeggende koppelwerkwoord ‘zijn’: de aarde was woest en ledig. Het Bijbelse Hebreeuws kent helemaal geen koppelwerkwoorden. Want men koppelt het gezegde rechtstreeks aan het onderwerp of soms voegt men een persoonlijk voornaamwoord in: Abram ‘was’ oud = Abram oud of Abram, hij oud. Als Gen.1:2 een statische toestand had willen beschrijven, zou er gestaan hebben: há’árets tohuwavohú (= de aarde woest en ledig). Maar nu staat tussen gezegde en onderwerp het dynamische werkwoord van de NAAM: geschieden, gebeuren! Dat wil zeggen: hier in Gen.1:2 is iets geschied! Na de schepping van hemel en aarde (Gen.1:1) is er iets gebeurd! Wat is er gebeurd? Is er een nieuwe schepping ‘gebeurd’, ‘geboren’? Heeft God chaos geschapen? Geen denken aan! God schept geen chaos! Maar Hij kan wel chaos ‘schoppen’ als een heilige Reactie op het wangedrag van Zijn schepselen. Hij kan Zich wel terugtrekken uit Zijn schepping en die aan zichzelf overlaten, zodat het één grote warboel wordt, gehuld in dichte en diepe duisternis.
* Volgens een Hebreeuwse overlevering zou de Schepper vele keren opnieuw begonnen zijn. Telkens weer ging het mis en won de wet van de jungle het, werd de aarde weer ‘vol van gweldenarij’. Totdat God besloot om Zelf met Zijn schepping mee te gaan, direct en indirect. Indirect door Zich te laten vertegenwoordigen door een bijzonder schepsel dat op Hem zou lijken (Gen.1:26), dat Zijn liefde zou weerspiegelen, Zijn trouwe zorg voor het zwakkere en onaanzienlijke. Maar de Schepper ging ook Zelf met Zijn schepping mee: zoals een architect zijn eigen bouwwerk binnentreedt, is God bij Zijn eigen schepping naar binnengegaan. Hij wandelde in de Tuin die Hij voor de mens had aangelegd en sprak rechtstreeks met Zijn vertegenwoordiger (Gen.2:17;3:8,9).
Het meest karakteristieke van onze huidige aarde in onderscheiding van al die vorige werelden is: dat God Zelf tegenwoordig is.‘God met ons’ staat als een boog in de wolken! Of nog sterker: God, de Altijd Aanwezige Die Zich volledig met ons vereenzelvigd heeft tot in onze schuld en dood toe, is ín onze aarde ingegaan en daaruit opgestaan. Daarom kan het nu niet meer mis gaan met Zijn schepping! Nooit meer! En daarom: ‘Verkondig dit evangelie aan de ganse schepping’(Markus 16:15).
 
** Het statische werkwoord ‘zijn’ is typisch heidens-Grieks. Het is afgeleid van het Griekse zèn, dat wellicht samenhangt met de godennaam Zeus. Een kernwoord in de Griekse filosofie is het ‘Zijnde’ een onbewegelijke, mythische grootheid die ons allen omvat en waar wij allen deel aan hebben. Het Bijbels Hebreeuws kent niet het woord ‘hájáh’ in de ‘statische’ betekenis van ons woord ‘zijn’. Men kan in het Hebreeuws niet zeggen: God ‘is’, in de zin van: God ‘bestaat’, punt uit. Israëls God ‘bestaat’ niet, Hij ‘is’ niet, maar Hij is er bij, Hij is aanwezig hier en nu, Hij geschiedt, gebeurt onder ons!!
Daarom kan ‘hajah’ nooit een statisch, nietszeggend koppelwerkwoord zijn. Het is beneden de stand van elk Hebreeuws werkwoord, maar zeker van het dynamische werkwoord hájáh, om werkeloos in een zin te staan. Ook als er zou staan: Abram hajahqén (oud), zou dat betekenen: Abram was oud gewórden. Hájáh duidt altijd op een handeling of een gebeurtenis.
 
4. Het woord Jóm (dag) dat vele malen voorkomt in het scheppingsverhaal is een bijzonder woord. Het bestaat uit drie letters, Jod, Wav, Mem waarvan twee letters gemeenschappelijk zijn met de Godsnaam: de Jod en de Wav. De derde letter, de ‘m’, is te zien als een verwijzing naar de Mem van midbar (woestijn) en van medabér’ (spreken; de woestijn is bij uitstek de plaats waar God spreekt: Hij sprak tot Mozes en tot Zijn volk).
Als we vragen of die zes scheppingsdagen gewone dagen waren, wat bedoelen we dan met ‘gewone dagen’? Eigenlijk zijn er geen ‘gewone’ dagen, geen dagen zonder relatie met JHWH, de Altijd Aanwezige. Sinds de schepping van de wereld is er geen dag waarop God-JHWH- niet aanwezig is, waarop Hij niet Zijn Stem laat horen door Woord en Geest.
Maar zijn de scheppingsdagen toch niet aparte dagen? Ze zijn net zo apart als de herscheppingsdagen van de Mattheüs Passion: de eerste week van de schepping is net zo apart als de herscheppingsweek van Palmzondag tot Paaszondag. Dat in die ene historische week, en speciaal op die ene dag, ‘Goede Vrijdag’, de zonden van het hele menselijk geslacht, van de eerste Adam tot de laatste mens, vergeven zijn, weggedragen zijn door het Lam Gods - hoe kan dat? De ‘Goede Vrijdag’ was een dag als andere dagen, maar nu met een ongekende concentratie van Goddelijke Aanwezigheid, een dag met een mateloze diepte en hoogte, een dag waarop gebeurde wat logischerwijs niet kán gebeuren.
Zo zijn ook de scheppingsdagen bijzondere dagen, dagen waarop gebeurde wat logischerwijs niet kán, dagen met een enorme concentratie van Gods scheppende Aanwezigheid, van Zijn hájáh (gebeuren, worden). Zo zal ook de komende oordeelsdag een dag zijn met een immense diepte en hoogte. Een dag waarop alle volken en alle mensen uit alle eeuwen – miljarden, biljarden - zich voor God moeten verantwoorden: ‘Adam waar bent u, waar was u?’ Een dag waarop gebeurt wat logischer wijs niet kán op één dag: een rechtzaak apart over ieder mens en ieder volk!    
5. Het Hebreeuwse woord Mín ( Mem, Jod, Nun) betekent ‘soort’ of ‘aard’ en komt vele keren voor in het scheppingsverhaal: als God de planten oproept, de vissen, het gevogelte, het vee en het wild gedierte staat daar telkens le-min. Iedere keer wordt dat herhaald, bij alle schepselen, behalve bij de schepping van de mens; daar staat niet le-min, maar be-tselem (= ‘in het beeld’ of ‘met het beeld’): ‘laat ons mensen maken die op Ons lijken’ (Gen. 1:26). Wat betekent dan le-min? Menkanhet vertalen met: ‘in soorten’ of beter nog: ‘soortgewijs’. Anders dan de mens heeft een dier geen directe, persoonlijke relatie tot zijn Schepper, maar een groepsrelatie. Een dier is een kuddedier, dat aangestuurd wordt door het groepsgedrag én door een onbewust gemeenschappelijk ‘programma’ dat de Schepper aan de betreffende soort heeft ingeprent.
Maar het woord min kan behalve op de soort als zodanig, ook doelen op het karakter van de soort, op de eigen aard ervan. In de Statenvertaling en ook in de NBG wordt le-min daarom vrijwel steeds vertaald met ‘naar zijn aard’ (of: haar/hun aard). Dat geeft ook opnieuw een duidelijk verschil aan tussen de mens en de overige schepselen. De dieren, de planten, de vissen, de vlinders en de vogels mogen zich gedragen zoals ze zijn, zoals ze door de Schepper geprogrammeerd zijn. Anders gezegd: ze mogen zichzelf zijn, een poes mag een poes zijn, een leeuw een leeuw en en kraai een kraai. Ze hoeven zich niet anders voor te doen dan ze zijn, ze mogen zich laten drijven op hun driften, op wat hun onbewust aandrijft. De mens daarentegen is niet naar zijn aard, maar naar Gods aard geschapen: ‘laat ons mensen maken die op ons lijken’. De mens moet niet zijn eigen aard volgen, maar Gods ‘aard’ weerspiegelen: Gods liefde voor het zwakke, Zijn trouw en Zijn vergevingsgezindheid.
Of nog anders: de mens mag niet zichzelf zijn, mag zich niet laten drijven door zijn eigen driften, zich ook zich niet laten leiden door zijn eigen gemaakt programma. De mens moet anders doen dan hij/zij van nature geneigd is te doen. Dat betekent: de mens moet een bewuste keuze maken: dieren kunnen niet kiezen, hoeven dat ook niet, maar de mens moet er voor keizen om niet zichzelf, maar God te willen vertegenwoordigen op aarde.
* In de NBV, de Nieuwe Bijbel Vertaling, is het woord ‘naar zijn aard’ jammer genoeg wegvertaald.
 
** Er is een wondermooie profetie van Jesaja over het komende vrederijk, waar het vee en het wild gedierte samenleven, wolf en lam, koe en berin (Jesaja 11). Mogen we hier uit concluderen dat wilde dieren van origine dus geen verscheurende ´aard´ hadden, maar later ont-aard zijn. Zijn de wilde dieren gedegenereerde schepselen vanwege ons menselijk wangedrag en wanbeheer over Gods schepping?
 
*** Opmerkelijk is nog dat in het scheppingsverhaal geen sprake is van soorten: van diersoorten of plantensoorten. Het woord ‘soort’ of ‘species’ in deze zin kent de Bijbel niet. De Bijbel gebruikt hiervoor namen: vis, vee, gevogelte, wild gedierte. En een naam in de Bijbel is meer dan een willekeurige lettergroep, een naam verwijst naar een wezen, naar een verborgen, hemelse werkelijkheid. Het woord shém (naam) is taalverwant met shám (dáár) en shámajim (hemel): de hemel is de achterkant of de óverkant van onze zichtbare wereld, de hemel is dáár waar de namen zijn. Welke namen, welke wezens zijn dáár?
Het scheppingsverhaal eindigt met de samenvatting in Gen.2 vers1: ‘alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heerscharen’ (Hebr.: zebha’ot)’. Gedoeld wordt op de hemelse heerlegers van de engelen, van de gedienstige geesten die getrouw Gods scheppingswerk in stand houden. Het zijn deze namen, deze verborgen, hemelse wezens die waken over het gevogelte en het wildgedierte, over het vee en de vissen, over hun diverse scheppingsprogramma’s. De Bijbel kent geen zelfstandig werkende natuurwetmatigheden: de gedienstige wezens doen zo getrouw en nauwgezet hun werk, dat het ons lijkt alsof het natuurwetten zijn.
 
6. Het woord ‘ádam is te zien als een samenstelling van het woord dám met daarvóór de letter Aleph. Het woord dám betekent ‘bloed’: de mens is een aards wezen, een ‘bloedverwant’ van de overige aardse schepselen, en de letter Aleph is de Aleph van ‘Elohim (God, de Ene, de Unieke, met wie de mens in een persoonlijke verhouding staat) en van ‘ani (ik). Adam is zoals gezegd een totaal ander wezen dan de oveige schepselen, ook radicaal anders dan de eerdere mensachtige wezens: Adam is een ‘ik’ tegenover ‘Gíj’. De mens leeft wel in groepsverband, van gezin en samenleving, maar is geen kuddedier. Adam kan rechtstreeks communiceren met zijn Schepper en heeft een eigen unieke verantwoordelijkheid: Adam, waar zijt gij! 
 Deze persoonlijke relatie met de Schepper heeft geen doel in zichzelf, maar staat in het kader van onze menselijke roeping om op deze aarde Gods vertegenwoordiger te zijn, om als het ware God Zelf te zijn met dezelfde gezindheid (Gen.1:26), om als zodanig Gods schepping heel te houden, in verbinding te houden met de Schepper en met elkaar. De aarde is er niet voor Adam, maar Adam, de mens is er voor de aarde, als Gods ‘grondpersoneel’ om Zijn schepping te beheren, te bewaren, te bedienen( Gen.1:26; 2:15). Het woord ‘adam’ is nauw verwant met ‘adámáh (aarde).
* De Bijbel geeft weliswaar geen directe aanwijzing dat planten en dieren kunnen ontaarden doordat wij als mens, als Gods grondpersoneel de regie over de schepping kwijt geraakt zijn, uit handen hebben gegeven, maar wel dat wij zelf kunnen degenereren. Er is een verhaal over Nebucadnezar, de trotse koning van Babel die als straf voor zijn goddeloze hoogmoed- hij zei:´dit is het grote Babel dat ik gebouwd heb!’ - degenereerde tot een beest: ‘hij werd uit de gemeenschap der mensen verstoten en at gras als de runderen’ (Danièl 4:33). Volgens een Hebreeuwse traditie zou iets soortgelijks ook eerder al gebeurd zijn met de trotse torenbouwers van Babel uit Gen.11. Deze zouden als straf voor hun rebellie veranderd zijn in apen. Dit is dus de omgekeerde evolutietheorie: de mens stamt niet af van de aap, maar het is net andersom…
 
De eigenlijke vraag bij het boek Genesis is niet: waar eindigt de poëzie en begint het proza van de geschiedenis? Maar: waar begint en eindigt het eigenlijke scheppingsverhaal? Als het tweede vers van Genesis: ‘de aarde was woest en ledig geworden’ de korte, kernachtige profetische beschrijving is van Gods gericht over Zijn verworden schepping, dan begint én eindigt het scheppingsverhaal al in het eerste vers van Genesis : ‘met beginsel (Woord, Eersteling) heeft God de hemel en de aarde geschapen’. En dan begint bij vers 3 het grandioze herscheppingsverhaal: dat God uit dichte duisternis en dood, als uit de Dode Zee, Zijn wereld weer tot nieuw leven heeft geroepen. Een verhaal dat een hoogtepunt heeft in het herscheppingsverhaal van de Mattheüs Passion en dat pas eindigt bij wat de ziener zag op Patmos: een geheel vernieuwde hemel en een geheel vernieuwde aarde waar God Zelf woont temidden van Zijn volk en Zijn mensen (Op. 21:1-3).
Er staat geen enkele datering bij het scheppingsverhaal. In het eerste Bijbelvers staat alleen: ‘in een begin (of ook: met beginsel) schiep God de hemel en de aarde’. Wanneer is God begonnen te scheppen? Welke wetenschapper kan dat weten? Er staat ook geen enkele datum bij de verwording van Gods schepping en niet bij de duur van Zijn gericht over deze verwording. Hoe oud is de schepping? Wie wéét hoe oud! Kan er ooit een tijd zijn geweest dat de Schepper geen Schepper was? Kan er ooit sprake zijn geweest van een Werkeloze God?
Behalve het jaar van Robert Darwin en Felix Mendelssohn is 2009 ook het Calvijnjaar: 500 jaar geleden op 10 Juli 1509 werd Johannes Calvijn geboren in Noyon, in het vroegere ‘Frankenland’. Wat is de betekenis van Calvijn, wat is zijn bijdrage geweest aan de geschiedenis van mensen en volken? In ieder geval dit: Calvijn was de eerste theoloog in de wereldgeschiedenis die de volledige gelijkwaardigheid erkend heeft van de Hebreeuwse en de Griekse Bijbel, van Tenakh en Evangelie. Door alle vóór-Calvijnse theologen - niet alleen door kerkvaders en Rooms katholieke theologen, maar ook door Lutherse en Doperse Schriftgeleerden - werd er een duidelijke grens getrokken tussen Tenakh en Evangelie. Meestal in deze zin dat het Oude Testament handelt over de wet en het Nieuwe Testament over de genade. Of soms nog scherper gesteld: in het O.T. openbaart zich een strenge, vaak wrede en oorlogszuchtige God, en in het N.T. een liefdevolle Vader. MaarvolgensCalvijngaat het in beide Bijbeldelen om hetzelfde genadige, bevrijdende en heiligende handelen Gods, om het ‘één en hetzelfde verbond’: ‘het verbond met alle vaderen (= met Abraham, Isaäk en Jacob) verschilt in het geheel niet van het verbond met ons, maar is geheel één en hetzelfde. Alleen de bediening verschilt’. Beide zijn niet gelijk, maar ze zijn wel één (Institutie Boek 2, hfst.10.par.2).
* Het gaat in beide Bijbeldelen inderdaad om het éne Evangelie. De kern van de Mozaïsche Torah is niet de wet, maar het Evangelie van de vergeving der zonden. Het is diepzinnig dat juist in het hart van de Torah, in Leviticus 16:21 = precies in het midden van het middelste boek, ( het boek dat in zijn geheel handelt over het herstel van de relatie tussen God en Zijn volk)- dat precies in het midden sprake is van het offerritueel op Grote Verzoendag waarbij de zonden van het hele Godsvolk worden overgedragen aan en weggedragen door het offerlam als een verwijzing naar het Lam Gods (Joh.1:29). Dat dit Evangelie, exact in het midden van de Torah staat, onderstreept de diepgaande en volstrekte eenheid tussen de beide Bijbeldelen: Leviticus 16:21sluit naadloos aan op Johannes1: 29.
 
Calvijn, die helaas nog geen oog, geen ‘on-bedekt’oog had voor de blijvende betekenis van het Joodse volk en daarom ook weinig respect toonde voor de eigenwaarde van de Joodse godsdienst, heeft niettemin de bedekking over de Hebreeuwse Bijbel weggenomen en deze Unieke Brontekst weer op de theologische kaart gezet. Of hij bij zijn studenten in Geneve ook de studie van de Hebreeuwse taal heeft aangemoedigd, is niet met zekerheid te zeggen, maar het ligt wel voor de hand. Calvijn die na zijn theologischeenjuridischevorming gestudeerd heeft aan het Parijse ‘College van de Drie Talen’ – naast Latijn, uitdrukkelijk ook Hebreeuws en Grieks – zal zeker zijn leerlingen aangespoord hebben om bij hun Bijbelstudie steeds ad fontes te gaan = terug naar de brontekst. Dat was toen niet normaal. De theologische elite in Calvijns tijd vond het zelfs een ‘verderfelijke stelling’ dat men Hebreeuws en Grieks moest kennen om goed de Bijbel te kunnen verstaan: de aloude Latijnse vertaling, de Vulgaat, vond men goed genoeg. Onze unieke Nederlandse Statenvertaling is van dit Geneefs-Hebreeuwse ‘reveil’ een bijzondere en blijvende vrucht. Het is de eerste Bijbelvertaling in de wereldgeschiedenis die rechtstreeks uit het Hebreeuws in de volkstaal* vertaald is. Een bijzondere vertaling, mede door steun van Joodse geleerden, die in het Calvinistische Nederland een veilige vluchthaven mochten vinden.
* De Griekse en Latijnse Bijbelvertalingen, de Septuagint en de Vulgaat, waren weliswaar rechtstreeks uit het Hebreeuws vertaald, maar in een algemene cultuurtaal en niet in de volkstaal.
 
Calvijn is de theoloog die wel oog had - in het spoor van het Joodse volk- voor de principiële mondigheid van iedere gelovige: de Bijbel moet uit handen van de kerkelijke elite ín handen van het gewone volk. Geheel in zijn lijn ligt het dat in de Calvinistische gebieden de vertaalde Bijbel terecht kwam, niet alleen in de studeerkamers van de professionals, van professoren, dominees en onderwijzers, maar vooral ook in de huiskamer van alle gezinnen, waar aan tafel de vaders en moeders hun kinderen dagelijks hieruit konden voorlezen.
Dit is de zogenaamd ‘eerste fase’ in de mondigwording van het Godsvolk. De tweede fase is dat heel het Godsvolk van jongs af aan zich de Hebreeuwse taal eigen maakt om zo zelfstandig, onafhankelijk van geleerde tussenpersonen de Bijbel in de grondtaal te kunnen lezen en bestuderen. Of op zijn minst de Bijbelse kernwoorden in hun veelzijdigheid en veelkleurigheid te leren ontdekken, ‘Schrift met Schrift vergelijkend’ aan de hand van een Hebreeuwse concordantie.
* Een citaat uit de inleiding van de Alephcursus ‘Hebreeuws in Zes Dagen: Kennis van het Hebreeuws geeft niet alleen toegang tot een Unieke Brontekst, maar bevordert ook in hoge mate de mondigheid van de moderne mens. Zonder deze taalkennis is men afhankelijk van een kleine groep taalkundige tussenpersonen die het 'onmondig volk' steeds weer moeten uitleggen wat er 'eigenlijk' of 'precies' in de grondtekst staat. Iedere Joodse puber kan elk Bijbelcommentaar controleren vanuit de Hebreeuwse grondtekst, maar 99% van ons volk staat 'met de mond vol tanden' en laat zich al te gemakkelijk de mond snoeren, zodra een geleerde Bijbeluitlegger een Hebreeuws woord laat vallen. Hebreeuws leren maakt de moderne Bijbellezer pas echt mondig.
 

Onze hedendaagse cultuur wordt vaak 'hedonistisch' genoemd. Een hedonistische cultuur is volgens het woordenboek: een wijze van leven en samenleven, waarbij 'het zinnelijk genot richtsnoer is voor goed en kwaad'. 'Goed' is: wat ons genot geeft, wat prettig aanvoelt, wat aangenaam is, wat leuk of lekker is, of wat leuk en lekker lijkt. En kwaad is: wat ons stoort, wat ons verhindert om van het leven het genieten.
'Hedonistisch' komt van het Griekse ¢hdonh (¢èdonè: genot, lust, vreugde, waarbij de komma vooraan wordt uitgesproken als een 'h': hèdonè). Het is niet moeilijk om een direct letterverband te zien is tussen dit Griekse ¢èdonè en het Hebreeuwse`éden! d, [e (Ajin, Daleth, Nun: Eden). Het woord ! d, [e  (Eden) stamt van het werkwoord ! d' [; dat voorkomt in Neh. 9:25 in de betekenis van 'leven in wellust' (St.Vertaling), 'weelderig leven' (NBG), 'volop genieten van Gods rijke gaven' (Groot Nieuws). Het woord zelf staat ook in Ps. 36 vers 9: een beek van Uw wellusten (St.V), een stroom van Uw lieflijkheden (NBG). In de Hof van Eden mogen de mens en zijn vrouw volop genieten, het is de 'Tuin van het Grote Genieten'.
De vraag komt op: als het Griekse ¢èdonè en het Hebreeuwse`éden eigenlijk hetzelfde betekenen, wat is er dan mis met een hedonistische cultuur? Er is een groot verschil tussen de Hof van Eden en de 'Hof van Heden'. Onze hedendaagse genotscultuur wordt gekenmerkt door een grote leegte in het midden, terwijl het grote genieten in de Hof van Eden cirkelde rond twee bijzondere Bomen in het centrum: ~ y yi x; h; # [e   ( `éts hachajjim: de boom van het leven en   [ r' w' b A j t [; d; h; # [e (de Boom van de kennis van goed en kwaad).
Wat is de Boom van het leven? Of letterlijk: van de levens, want 'chajjim' is een meervoud of eigenlijk een tweevoud. Ons leven op aarde is tweevoudig: het leven op deze aarde én op de nieuwe aarde, het leven in het hiernumaals en in het hiernamaals. De Boom van de levens gaf aan de mens en zijn vrouw voeding voor deze twee levens, voor nu en voor eeuwig. Deze Levensboom was een echte boom en geen louter symbolische: hij gaf echt voedsel. Weliswaar geestelijk voedsel, wat meer is dan gewoon voedsel, zoals ook het manna in de woestijn meer was dan gewoon voedsel. In 1 Cor.10:4 spreekt Paulus letterlijk over 'pneumatisch voedsel': voedsel van de 'Pneuma' van God, van Zijn Heilige Geest.
De Boom des Levens moeten we in feite net zo letterlijk te nemen als het Offerlam op de berg Moria dat zich in de plaats stelde van Isaäk of van de Vis die Jona redde of van de Stenen Tafelen waarop God met eigen Hand Zijn Richtlijnen heeft geschreven. De Boom, het Offerlam, de Vis, de geschreven Torah zijn aardse, tastbare gestalten van Gods Aanwezigheid in ons midden, van de Immanuël, van de 'God met ons', Die ten volle gestalte nam in Jeshuah van Nazareth. Van Hem Die van Zichzelf gezegd heeft: wie van Mij eet, wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die zal leven, nu en in in eeuwigheid (Johannes.6:54-56). In de toekomst zal die Boom ook opnieuw zichtbaar worden: 'Ik zal hem geven te eten van de Boom des Levens die in het midden van het paradijs is' (Openb.2:7; zie ook: Openb. 22: 4 en 14)
En de boom van kennis van goed en kwaad? Dat is eveneens een echte boom: het is de Boom van de 'negatieve gehoorzaamheid'. God had gezegd: van alle bomen mag u eten, maar van één niet. Alles min één. Dat is het kerngebod zoals God dat later in Zijn Torah aan Mozes heeft uitgewerkt: van alle vruchten mag u volop genieten, behalve van de eerstelingen; en op alle dagen mag u werken, maar op één dag niet. Eten van het Brood des Leven en afblijven van het verbodene, dat zijn de twee voorwaarden voor het Grote Genieten. 
Zonder deze twee is elke andere vorm van genieten een vorm van surrogaatgenot. Zonder de vrucht van de Messiaanse Levensboom én de vrucht van de gehoorzaamheid aan Gods verbod heeft ons leven en samenleven een immense leegte in het midden, een leegte die onverzadigbaar is en die na elke surrogaatvulling nog leger wordt. Het Griekse ¢èdonè en het Hebreeuwse`éden lijken sprekend op elkaar, maar ze hebben niet dezelfde vulling: ze spreken elk een andere taal . 

 
drs.R.L.Modeth
********
Studiehuis Reshiet te Rotterdam, onder leiding van drs Yair Strijker, verzorgt de Alephcursus: Hebreeuws in Zes Dagen. Een unieke laagdrempelige leergang op basis van een letterverhaal, met als eerste doel: leren om zelfstandig Bijbelwoorden te ontdekken in hun veelzijdigheid en veelkleurigheid met behulp een Hebreeuws woordenboek en een Hebreeuwse concordantie
E-mail                   info@studiehuisreshiet.nl
Website              www.studiehuisreshiet.nl
Laatste wijziging (dinsdag, 05 mei 2009)

 
Home Digitale Studiezaal De bijbel letterlijk leren lezen