Home Digitale Studiezaal De paarse studietafel Zajin

Zoeken

De paarse studietafel Zajin Send Print
Mens zijn is reizen door de tijd, is op ‘álijáh zijn
Mens zijn is onderweg zijn. De levensweg van ieder mens persoonlijk en van de mensheid als geheel is een pelgrimstocht, een óptocht, een álijah1.  Met miljarden tochtgenoten bewegen we ons door de tijd. Door deze geheimzinnige stroom2  die ons onweerstaanbaar meevoert, van de ene dag in de andere, jaar in jaar uit.  
En waarheen zijn we op weg? We bewegen ons op twee sporen die verschillend verlopen maar die uiteindelijk op één punt uitkomen. Er is een persoonlijk spoor, ieder mens gaat zijn  eigen unieke weg, en er is een gemeenschappelijk spoor als mensheid, als volk en volkerenwereld. Maar beide sporen mogen eindigen op één en hetzelfde punt: Tsion.
1 Het geheim van de tijd is  de alom Aanwezigheid van Israëls God. Hij omvat verleden, heden en toekomst: Hij was er, is er en zal er zijn. ‘In Hem zijn wij en bewegen wij ons’. (Hand.17: 28).
2 Alijah  komt van het werkwoord `áláh, opgaan en is nauw verbonden met Tsion: ‘opgaan’ is op weg gaan naar  de Berg Gods. De liederen die de pelgrims daarbij zongen heten shir ha-ma’alóth, dat ook afgeleid is van ‘aláh: lied van de opgangen.
Het woord pelgrim is afgeleid van het Latijnse periginus, vreemdeling. Op pelgrimstocht gaan is zich vervreemden, zich losmaken van zijn oude vertrouwde omgeving en op reis gaan.
 
Volgens Israëls profeten eindigt (of beter voleindigt zich1) de optocht der volken in Tsion: ‘het zal gebeuren in de eindtijd dat de volken optrekken, op ‘alijáh gaan naar Tsion’ (Micha 4:1-4; Jesaja 2:1-4).
In Jeruzalem, op de Berg Tsion voleindigt zich de wereldgeschiedenis. Hier komen de volken tot hun bestemming: hier vinden ze (ieder volk apart) hun ware identiteit. Want hier liggen volgens Ps.87 de roots van alle volken. Niet alleen van Babel, Egypte (Rahab) en Philistea, de oertegenstanders van Israël, maar de wortels van alle volken bevinden zich in deze Berg: ‘de HERE  telt bij het opschrijven der volken: deze en die is daar geboren’ (Ps.87:6).  Daarom ook moeten de volken naar Tsion terug om hun roots te vinden, om hun ware identiteit te ontdekken. En ook om een geheiligd Godsvolk te worden, een  ‘am AdonaJ in het spoor van Israël, Gods eersteling.
Hier, in Tsion, ontstaat ook de echte VN, de ware verenigde naties. Want hier worden de volken  saamhorig door samen te horen naar de Torah2, de Onderwijzing van Israëls God, en door van harte zich open te stellen voor Zijn Geest Die de Torah wil schrijven in hun hart en verstand. Met name de liefdevolle Richtlijnen voor de ordening van de tijd (de dagelijkse getijden, de wekelijkse rustdag en de jaarlijkse feesttijden) en  voor de ordening van het aardse bezit (tienden, eerstelingen, periodieke kwijtschelding van schulden en herverdeling van het grondbezit).
Er is ook een traditie die veronderstelt dat Tsion en Sinaj (er is Hebreeuwse letterverband tussen beide) dezelfde berg zijn: een beweeglijke, geestelijke Rots die met het Gods volk meetrok door de woestijn (1.Cor.10:4) en daarna zich vestigde in het hart van Jeruzalem om tenslotte in de eindtijd zich te verheffen boven alle bergen (Jes. 2:2;Micha 4:1).
1 Volgens de Hebreeuwse traditie is Tsion ook het punt waar alles begonnen is. De berg Tsion geldt als de Ebhen Shetijah, de funderingsrots, het eerste stukje aarde dat bij de schepping uitstak boven de oerwateren. Dit unieke plekje, deze eersteling der aarde, heeft God voor Zichzelf gereserveerd: ‘want de HERE  heeft Tsion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: dit is Mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, want haar heb ik begeerd’ (Ps.132: 12, 14). Volgens de traditie heeft God ook rond deze berg de Tuin van Eden ingericht, en vanaf deze Rots wandelde Hij in de avondkoelte de Tuin in om met de mens in gesprek te gaan: ‘Adam waar bent U? (Gen3: 9). Omdat Hij uit de aarde van deze berg de mens geformeerd heeft, kon Hij zeggen bij het registreren der volken: ‘deze en die is daar geboren!’(Ps.87: 6). Tsion, de startplaats van de schepping, is ook de finish: hier voltooit zich de wereldgeschiedenis.
2 Het woord ‘tsion’ hangt samen met tsáwáh: aanwijzen, gebieden. Op deze Berg geeft God Zijn Aanwijzingen voor het ordenen van de menselijke samenleving: ‘uit Tsion zal de wet uitgaan’ (Jes.2:3).
 
Niet alleen de volken zijn in Tsion geboren en zullen daar eindigen, tot hun bestemming komen, maar elk mensenkind wortelt in Tsion (Ps.87:5)1 en is bestemd om daar te eindigen, te voleindigen.
Onze persoonlijke ‘alijah is net als het volk waartoe we behoren en de hele mensheid waar we lid van zijn, een óptocht naar de Berg Gods. De pelgrimstocht van alle volken en van ieder mens persoonlijk eindigt op één en hetzelfde punt.
Maar zegt de Bijbel niet dat we op weg zijn naar het hemelse Tsion: ‘Gij zijt genaderd tot de berg, Tsion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’? Dat is waar, onze aardse levensweg mag eindigen in de hemel, ‘in het Vaderhuis met de vele woningen’, noteert de evangelist Johannes (Joh. 14:2). Maar de hemel is niet onze eindbestemming. Volgens de Bijbel is de hemel een wachtkamer, een tussenstop op weg naar het aardse Jeruzalem. Dezelfde evangelist Johannes die sprak over het hemelse Vaderhuis, zegt ook: ‘Ik zag het vernieuwde Jeruzalem neerdalen uit de hemel, bij God vandaan, als een bruid die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem: zie, het Huis van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen’. Want de God van de Bijbel is niet gelijk aan de Griekse Godheid, het Algemeen Oerbeginsel tot wie wij moeten proberen terug  te keren door ons los te maken van de aarde, door geestelijke denkarbeid en discipline of juist tegenovergesteld door ongedisciplineerd ons onder te dompelen in het aardse genot, door ons mateloos, Dionysisch, uit te leven en zo op te stijgen boven de aarde uit.  Maar de Bijbelse God, de God der Hebreeën houdt van de aarde en houdt die vast:  (houden van is vasthouden aan!). De God der Hebreeën komt op aarde wonen met ‘groene eeuwigheid’. Terecht zei een moderne filosoof onlangs in de media: ‘wij geloven in een groene God Die van de aarde houdt en die nooit loslaat wat Zijn Hand begon’. 
1 De psalmist zegt nadrukkelijk (Ps.87:5) dat ieder mens (‘ish weish: manvoorman) in Tsion geboren is (julad bám). Niet alleen Adam is uit deze aarde gevormd, maar ieder mens. Anders gezegd: de vaste grondstoffen waaruit ons menselijk lichaam is opgebouwd – en wetenschappelijk is vastgesteld dat het daarbij gaat om 12 vaste mineraal verbindingen die van generatie op generatie aan ons zijn doorgegeven -  komen bij de Berg Tsion vandaan, uit de Tuin van Eden. Deze 12 grondstoffen of colloïden die we erven van ons voorgeslacht, zijn volgens het wetenschappelijk onderzoek (theorie van Schüssler), ook de restanten die overblijven, als ons lichaam vergaat in de aarde of verbrandt in het vuur. Deze vuurvaste, onvergankelijk gebleken stoffelijke resten die tsionistisch van oorspong zijn, zouden dus ook weer de grondstof kunnen vormen voor ons vernieuwde lichaam op een vernieuwde aarde. En misschien mogen we aannemen, dat we op de plek waar we ontstaan zijn, in de Tuin waar de Opstanding plaats vond, ook zullen opstaan...
 
De neerdaling Gods is een Bijbels kernthema: niet wij stijgen op, maar God stijgt af, Hij komt naar ons toe. Slechts tijdelijk neemt Hij ons op in Zijn hemelse  heerlijkheid (Ps.73:24) om te Zijner tijd met Hem af te dalen naar Zijn woonplaats op de Berg die Hij verkoren heeft voor altijd en eeuwig: ‘dit is Mijn woonplaats voor immer’ (Ps.132:14)!
 
Volgens de profeet Zacharia is het een gebod voor alle volken om eens per jaar op te trekken naar Tsion om daar het feest van Israëls intocht in het Beloofde Land mee te vieren (Zach.14:16). Uiteraard gaat het daarbij niet om het hele volk, maar om een officiële delegatie. Maar daarnaast zou ieder mens (ish we ish) minstens één keer in zijn leven een pelgrimstocht naar Tsion moeten ondernemen. Niet een snelle, vluchtige per vliegtuig, maar een wandeltocht, van halteplaats tot halteplaats. Eerst wandelend tot aan de grenzen van Europa, Marseiile, Venentie of Athene, en vandaar verder per cruiseschip naar Jaffo om vandaar weer wandelend op te gaan naar Tsion. Om het goed te doen, in alle rust, kost het een ‘sabbatsjaar’1: vijf maanden voor de heenweg, vier maanden2 voor de terugreis en drie maanden om in Tsion en Ommeland te verblijven, in het Hebreeuwse leerhuis voor de Bijbeltaal en Bijbelse levensstijl, en in de leerlanderij.3
1 Een symbolische tijd voor zo’n bijzonder in- en ontspannend sabbatical zou kunnen zijn: het 49e en 50e levensjaar: het 49e is het zevende shabbatsjaar in een mensenleven, en het 50e is het begin van het achtste, het jaar dat gekoppeld is aan de Messiaanse tijd, het ‘jubeljaar’.
De beste tijd voor senioren (presbyters) is wellicht het eerste jaar van hun levensshabbat, het begin van hun pensioentijd.
2 Als de afstand van Nijmegen naar Marseiile 1100 km is, naar Venetië 1200 en naar Athene minder dan 3000 km, en men wandelt 5 dagen per week 30 kilometer = 150 kilometer, zou de reis door Europa ongeveer, 7, 8 of 20 weken duren. Vanaf Athene kost de bootreis minder dan vier dagen. De senioren die hun sabbatical doorgaangs zonder problemen kunnen verlengen, kunnen hun reistempo dienovereenkomstig vertragen.
3 Elk volk, Nederland om te beginnen, zou in Jeruzalem een Leerhuis moeten vestigen gekoppeld aan een klein landgoed, waar de moderne ‘ont-aarde’ stadsmens weer de waarde en de vreugde van het landleven leert kennen, zoals de Torah ons voorhoudt.
 
Aan het welslagen van deze twee pelgrimstochten naar Tsion, die van de volken en van ieder persoonlijk, zijn twee  voorwaarden verbonden. De profeet Micha verwoordt ze in twee kernwoorden als hij zegt tegen zijn afgedwaalde volk; ‘wat AdonaJ van u vraagt is: recht te doen en trouwe liefde te betonen door1 ootmoedig te wandelen met Uw God’ (Micha 6:8). Micha spreekt niet over een wandeltocht zonder meer, maar over een wandelen met God, met de God der Hebreeën, de Ene de Unieke. Zoals van Henoch gezegd wordt dat hij ‘wandelde met God’ (Gen.5:22) en van Abraham dat hij ‘wandelde voor het Aangezicht van God’ (Gen. 24:40). Ook de tocht van het volk Israël door de woestijn op weg naar Tsion, wordt beschreven als een wandeltocht waarbij God hun Metgezel was: Hij begeleidde hen, ging voor hen uit en was met hen in gesprek. En vooral dat laatste is typerend: wandelen met God is met Hem in gesprek zijn = een persoonlijke, innige relatie met Hem onderhouden, is open staan voor Zijn Geest van liefde en trouw, van barmhartigheid en rechtvaardigheid.
Waar dit wandelen met God ontbreekt, raken we van de weg af. Waar wij als volk en vooral ook als individu geen relatie  hebben met Israëls God, niet meer in gesprek met Hem zijn, niet open staan voor Zijn Geest, geen oor hebben voor Zijn Woord, ons niet storen aan Zijn liefdevolle Richtlijnen voor het ordenen van de tijd en het aardse bezit, gaat het grondig mis met ons als mens en de mensheid. Ieder kiest dan zijn eigen koers, als volkerenwereld raken we op drift en komen terecht in een babylonische verwarring. In deze verwarring keren we ons tegen elkaar waardoor de volkssamenleving en de wereldsamenleving verbrokkelt en versplintert. Of we gaan rondjes draaien, rondjes om ons zelf (egocentrisch, narcistisch), of om ons volk (nationalistisch of om onze kerk (kerkistisch). Vooral dat laatste is een geliefd redmiddel in de algehele verwarring. Als Tsion uit het zicht is, als we de koers kwijt zijn, zetten we de kerk in het centrum. Alsof alles draait om de kerk: het hele volk, zelfs heel Israël, Tsion incluis, moet meedraaien met de kerk.
En als we moe gedraaid zijn rond onze eigen natie of kerk, gaan we in grote cirkels rond de globe: we worden globalisten; alle mensen en alle volken zijn gelijk en moeten desnoods met geweld gelijk gemáákt worden. Met name geldt dit voor dat zionistisch- nationalistische volkje in het midden der aarde dat zich een voortrekkersrol heeft toebedacht als apart Godsvolk, als Zijn Eersteling. Zo’n arrogant volk moet afgestraft, moet zo nodig met geweld tot de wereldorde geroepen worden, zodat het gewillig met alle andere volken meewandelt en meedraait in de grote cirkel rond de globe, rond het Grote Geheel.
Onze wereldsamenleving gaat dan lijken op een Nijmeegse Vierdaagse waarin we met alle drukte en gestap geen stap vooruitkomen2.
1 Een notitie bij de letter Wav in Micha 6:8. Meestal wordt deze ‘dienstdoende letter’ hier vertaald met ‘en’, alsof het om twee  nevenschikkende zinnen gaat: we moeten  recht doen en daadwerkelijk liefhebben, én (Wav), los daarvan, moeten we ook nog ootmoedig wandelen met God. Maar de Wav koppelt juist beide zinnen: we kunnen alleen maar rechtvaardig zijn en liefdevol (= Gods rechtvaardigheid en liefde weerspiegelen) dóór in Gods gemeenschap te verkeren, met Hem op weg te gaan.
2 Immers in deze vierdaagse tocht wandelen we veel, maar we schieten niets op, we wandelen in de rondte. We matten ons af, we voelen ons voldaan, maar we hebben niets gedaan. We zijn geen stap verder gekomen. Misschien kunnen de Nijmeegse rondjes wel dienen als oefeningen voor de ‘alijáh naar Tsion! Als er een pelgrimsroute uitgestippeld kan worden van Pieterburen naar Santiago de Compostella, dan is er ook één te plannen van Nijmegen naar Marseiile, Venetië of Athene.
Er is nog een vierde alternatieve route mogelijk, speciaal voor senioren (presbyters): via de wandelpaden langs de Rijn, de Neckar en de Donau (met een begeleidende hotelboot) tot aan de Zwarte Zee, en vandaar verder per cruiseschip langs de Turkse kust (met trips o.a.naar Padmos en Efeze) tot aan Jaffo om vandaar op te gaan naar Tsion.
Tenslotte is er nog een vijfde pelgrimspad denkbaar, de origineelste.., als de weg via Turkije, Syrie en Libanon naar Tsion zou open gaan…. Wat niet ondenkbaar is sinds op 12 Juli jl. – de dag waarop in alle synagogen wereldwijd de Torahlezing over Bileam aan de orde was- de EU in principe verbreed is tot EMU (Europess Mediterane Unie). Een Unie waarvan de grenzen praktisch samen vallen met die van het Oude Romeinse Rijk. Dat geeft te denken..
 
Waar gaat onderweg wandelend met God het gesprek over? Het kan over van alles gaan, maar om bij Micha te blijven, het gaat vooral ook over recht en daadwerkelijk liefdebetoon in een menselijke samenleving. Daarbij gaat het niet om wat wij vinden dat gerechtigheid is en liefdevol handelen, maar wat Israëls God daarover heeft voorgeschreven en wat aan ons gedocumenteerd is overgeleverd in de Hebreeuwse Bijbel. De Mozaïsche Torah is het kader waar binnen het gesprek met God plaats vindt. Dat gesprek kan zich toespitsen op twee kernvragen: wat is van deze Goddelijke Richtlijnen nog niet toepasbaar en wat is nog niet direct uitvoerbaarm, want de Torah ligt niet achter ons, maar nog voor ons. Er is in de hele Torah geen voorschrift met het label n.v.t. (niet van toepassing). Wel met de labels n.n.v.t. (= nog niet van toepassing vanwege de onmondigheid) en n.n.d.u (nog niet direct uitvoerbaar). Het is namelijk mogelijk dat wij als mens of als samenleving er nog niet aan toe zijn om ons leven en samenleven met vreugde in te richten volgens de liefdevolle Mozaïsche Richtlijnen. Zolang we op dit punt nog onmondig zijn, zolang de Torah nog niet in ons hart en verstand geschreven is, kan deze en mag deze niet van buiten af opgelegd worden.
En het label n.n.d.u. (nog niet direct uitvoerbaar) wil zeggen: in afwachting van een nadere juridische uitspraak. Dat geldt met name voor de strafbepalingen in de Torah. Deze zijn voor alles bedoeld om de zwaarte van de misdaad aan te geven, deze bewust te maken en in te prenten.
Of en wanneer deze bepalingen daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden, valt onder een ander soort rechtspraak die niet genormeerd wordt door de rechtvaardigheid Gods, maar door Zijn barmhartigheid. Kaïn, Mozes en David,  hoewel zij notoire moordenaars waren, zijn niet veroordeeld en terechtgesteld volgens de Goddelijke rechtvaardigheidswet1 (zie Gen. 9:6).
1 Misschien zouden er twee soorten rechtbanken moeten zijn: de Beth Din Tsêdáqáh en de Beth Din Rachamim. Wie een strafrechterlijke overtreding begaan heeft, komt eerst voor de Beth Din Tsêdáqáh (rechtbank van Gods gerechtigheid) en daarna, na verloop van enige tijd, voor de Beth Din Rachamim (de rechtbank Gods barmhartigheid). Wie als misdadiger barmhartigheid ontvangt, strafverlichting krijgt of zelfs vrijspraak, leeft voortaan van genade, van Gods genade. Om dit bewustzijn van begenadigd te zijn levend te houden is het misschien nodig om regelmatig (bijvoorbeeld ééns  in de zeven jaar, op één van de verootmoedigingsdagen vóór Jom Kipur) opnieuw voor de Beth Din Tsêdáq’sh te verschijnen om de originele strafbepaling weer aan te horen.
 
De profeet Micha, die zo uitdrukkelijk het visioen weergeeft van de optocht der volken richting Tsion (Mi.4:1-4), noemt als tweede onmisbare voorwaarde voor deze alijah: de ootmoed. ‘Wat AdonaJ van u vraagt is……ootmoedig te wandelen met Uw God’ (Mi. 6:8). Wat is ootmoed Bijbels gezien, en waarom is dat nodig? Ootmoed is meer dan het tegendeel van hoogmoed, meer dan nederig zijn of respectvol. Dat is het ook, wandelen met God is niet hetzelfde als wandelen met je vriendje. Hij is onze Schepper, Hij is onze Bevrijder, Hij is onze majesteitelijke Koning! Tegenover Hem past eerbied en een nederige houding. Maar ootmoedig zijn is Bijbels gezien vooral een houding van verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid inde letterlijke zin van het woord: de bereidheid om antwoord geven. Micha gebruikt voor ‘ootmoedig’ het woord tsanah1 dat taalverwant is met `anáh, antwoorden, in de antwoordhouding staan. Wat God, onze Schepper en Bevrijder van ons vraagt is: dat we op de wandeling in gesprek met Hem voortdurend bereid zijn om antwoord te geven. Allereerst bereid zijn om Zijn scheppend Woord te beantwoorden met woorden van dankzegging. Want alles wat Hij geschapen, opgeroepen heeft door Zijn Woord, is van Hém. De aarde is niet van ons, maar van Hém, Hij is de eigenaar, Hij heeft de aarde ons in beheer gegeven. Ook ons lichaam, dit  superkunstig instrument van niet te schatten waarde, is van Hém. Hij heeft het ons in bruikleen gegeven en wij mogen het verslijten in Zijn dienst. Ootmoedig zijn betekent een houding van  innige dankbaarheid tegenover God als Schepper.
Maar Hij wil ook dat we antwoord geven op Zijn bevrijdend handelen. Hij heeft ons weggeroepen van onze dwaalwegen: ‘Adam waar bent U?’. Hij heeft ons op een nieuw spoor gezet richting Tsion. Hij heeft ons niet veroordeeld en terechtgesteld in Zijn heilige woede over onze rebellie waardoor Zijn schone schepping ontluisterd is en grondig verstoord. Integendeel, Hij heeft Zich met ons vereenzelvigd tot in onze schuld en dood toe, Hij heeft onze zonden op Zich genomen en weggedragen (Lev.16:21, Joh.1:29). Ootmoedig wandelen met God is: laten blijken dat we verwonderd zijn over Zijn grenzeloze liefde en dat we onze dankbaarheid daarover voortdurend onder woorden brengen, in hartelijke gebeden en lofzangen.
1 Het werkwoord [ n c (tsána`: ootmoedig, bescheiden, nederig zijn) is een zeldzaam woord dat, verder alleen nog voorkomt  in Spreuken 11 vers 2: ‘schande is er voor de hoogmoedigen, voor de ootmoedigen is er wijsheid’ (zie ook de Woordstudie over ‘hálakh’, www.hvs.org.il).
 
Ootmoedig zijn is niet alleen uiting geven aan onze verwondering en dankbaarheid over Gods vergevend liefde, maar het houdt ook in dat we heel bijzonder en uitdrukkelijk onze zonden en misdaden uitspreken, belijden. Die schuldbelijdenis is allereerst persoonlijk, hoe langer we wandelen met God en hoe diepgaander het gesprek wordt, des te meer worden we ons bewust van ons wangedrag tegenover Hem en elkaar en tegenover Zijn schepping. Hoe intenser de relatie met Hem wordt en hoe meer we wandelen in het Licht van Zijn Gelaat, des te meer worden we ontdekt aan onszelf, aan onze diepste drijfveren, aan ons narcisme, aan ons egoïsme.
Maar behalve een persoonlijke is er ook een collectieve schuld die ontdekt en uitgesproken moet worden. Alles wat wij als Nederlandse volk hebben misdaan tegenover, andere volken of bevolkingsgroepen moet onder woorden gebracht en beleden worden. Datzelfde geldt voor wat wij als volken van Europa, hebben misdaan tegenover andere continenten, met name Afrika, Zuidelijk Azië en Zuidelijk Amerika. Het geldt ook voor de misdaad die wij als hele mensheid plegen tegenover Gods schepping, die zucht onder ons menselijk wanbeleid en wangedrag.  En last but not least geldt dat voor de misdaden die de hele volkerenwereld heeft begaan tegenover het Joodse volk. Waar deze misdaden verdoezeld worden, onbeleden blijven, blijven wij, blijft ons volk en blijft de volkerenwereld zuchten onder een geestelijke last die ons hindert in allerlei opzichten, ons onderontwikkeld houdt en ons afhoudt van onze uiteindelijke bestemming als kinds Gods en als volk Gods in het spoor van `Am Jisraël.

 
Hoe en waar zou die schuldbelijdenis, met name van de volken onderling en van allen tegenover het Joodse volk, moeten plaats vinden? Dat kan op verschillende wijzen en bij diverse gelegenheden. Maar een goede gelegenheid zou kunnen zijn: wanneer de volken de eerste keer, naar het gebod van Zacharia 14: 16, samen optrekken naar Tsion. Er zouden uiteraard een aantal gespreks- en verzoeningssessie’s aan vooraf moeten gaan, maar  de openbare schuldbelijdenis en verzoeningakte zou gesteld kunnen worden op één van die bijzondere dagen tussen Rosh Hashanah en Jom Kipur, voorafgaand aan het Sukothfeest. De openbare verootmoediging van alle volken tegenover het Joodse volk zou dan kunnen plaats vinden op Jom Kipur zelf.  Terwijl daarna elk jaar opnieuw in deze verootmoedigings periode deze gebeurtenis wordt herdacht en herbeleefd.
Tenslotte rest nog de vraag of de volken voor het belijden van hun schuld en voor het aanvaarden van de vergeving (= het laten wegdragen van de schuld)  kunnen volstaan met het uitspreken van woorden alleen. Of dat het goed zou zijn om dit gebeuren ook te vatten in een bepaald ritueel, in de lijn van het originele Jom Kipur- ritueel, waarbij een offerlam zichtbaar de zonden van heel het volk op zich neemt en wegdraagt (Lev.16:21; Joh.1:29). Het zou de grootste Grote Verzoendag aller tijden worden.

 
Nog een algemene notitie
Er is een zevende en een achtste dag. De zevende dag is de voltooiing van de schepping binnen de horizon van onze geschiedenis: en God zag dat het goed was, zeer goed (Gen.1:   ). Het is de vervulling van wat Israëls profeten hebben voorzien en wat door een schare van engelen is bevestigd: de optocht der volken op weg naar Tsion en vrede op aarde (Micha 4:1-4; Jesaja 2:1-4’Lukas 2: 14). De achtste dag ligt buiten de horizon van onze geschiedenis: als de hemel op aarde komt, als de doden opstaan, als ons aardse lichaam verandert in een geestelijke gedaante zoals een rups in een vlinder, als God alles in allen is.

Laatste wijziging (donderdag, 09 oktober 2008)

 
Home Digitale Studiezaal De paarse studietafel Zajin