LESSEN UIT HET JOODSE LEVEN
Les 1-4 met een kort overzicht van Les 6-10
Op Joodse Les
De tegenhanger van antisemitisme of Jodenhaat is niet filosemitisme, niet Joden liefdevol ‘knuffelen’, maar hen respecteren en van hen willen leren. Hen respecteren betekent: hen in hun eigenheid erkennen als Messiaanse Godsvolk, aangesteld om een licht voor de volken te zijn, een ‘koninkrijk van priesters’, van voorgangers en voorzangers in de liturgie van Israëls God (Exodus 19:6). Bij de Joden in de leer gaan wil zeggen: willen leren van hun eeuwenlange voorsprong in kennis en ervaring op velerlei levensterrein*.
Leren van de Joden is geen moderne, ‘hyperige dwaasheid’. Karel de Grote, de grondlegger van het huidige Europa, was een wijs mens. Hij nodigde Joodse leraren uit om het onderwijs in zijn onderontwikkelde keizerrijk op een hoger peil te brengen. Toen in de 17e eeuw onze Staten Generaal opdracht gaf om de Bijbel vanuit de Hebreeuwse grondtekst opnieuw te vertalen, gingen de Nederlandse vertalers regelmatig op bezoek bij Joodse rabbijnen om van hen te leren. Ook vandaag, nu Israël als nooit te voren toegerust is om de volken van dienst te zijn, is het wijs te willen leren van de Joden. Wat kunnen we leren? Er zijn minstens tien lessen te leren. Hieronder de eerste drie, met aan het slot een opsomming van de overige zeven.
* Joden zijn, de eeuwen door, voortrekkers geweest als pedagogen, artsen, musici, schrijvers, dichters en last but not least als kenners van de Hebreeuwse Bijbeltaal en de Hebreeuwse grondtekst.
Les 1: Leren denken vanuit de Overkant.
Israël kan ons leren anders te denken, te denken vanaf de Andere Kant. Eeuwenlang is onze Westerse wijze van denken gestempeld door de Grieks Hellenistische cultuur die de mens in het centrum zet. Grieks denken is denken vanuit onszelf, zonder vooronderstellingen die van buitenaf gekomen zijn. Ons uitgangspunt is wat we zelf zien en zelf ervaren. Waar is wat we kunnen meten en wegen, waar is wat we logisch kunnen beredeneren. Wat niet meetbaar, berekenbaar of beredeneerbaar is, wat niet wetenschappelijk- empirisch is vastgesteld, heeft geen werkelijkheidswaarde en dus geen geldingskracht.
Het is merkwaardig dat we deze manier van denken ook uitdrukken in onze manier van schrijven, die eveneens aan het Grieks, aan de Griekse taal is ontleend. Wij schrijven van links naar rechts en daarbij beginnen wij altijd dicht bij onszelf, met de hand in de buurt van ons hart en van daaruit schrijven we van ons af naar omhoog. In ons letterschrift zit een beweging van links naar omhoog. We schrijven zoals we denken.
Precies tegenover gesteld is de Hebreeuwse schrijfwijze die van rechts naar links gaat en van bovenaf. Als de Hebreeërs gaan schrijven, beginnen zij niet bij zichzelf, maar buiten zichzelf: met een boog beweegt men de hand van zichzelf af en dan begint men van bovenaf de letters te vormen. Dus niet vanuit onszelf, maar naar onszelf toe. Niet van onderop, niet uitgaande van wat we zelf denken, voelen en ervaren, maar van wat vanaf de Overkant naar ons toegekomen is. Het woord ‘Hebreeuws’ betekent ook letterlijk: ‘komend van de overkant’.
Leren van Israël is leren denken vanaf de Overkant,
Israël is het volk dat als geen ander kennis van de Overkant gekregen heeft: ‘zo deed Hij met geen ander volk’ (Psalm 147:19,20). Het kernwoord dat het Joods orthodoxe denken typeert is: ‘Hoor Israël’שמע ישראל (Deut. 6: 4)! Het uitgangspunt voor het Joodse denken ligt niet bij de mens, niet bij wat ik zelf vind of voel, of wat logisch lijkt, maar bij wat naar mij toegekomen is vanaf de Andere Kant: Shêma` Jisraël שמע ישראל ! Daarom ligt in het Joodse orthodoxe onderwijs ook steeds alle nadruk op de vraag: niet wat vinden jullie zelf, hoe zien jullie dat, maar wat is gezegd, wat staat geschreven? Dat is les 1: leren ‘horen’! Ook samen leren horen, saamhorig zijn, samen met het Joodse volk. Immers de Godswoorden van de Overkant zijn via hen tot ons gekomen: ‘hun zijn de Woorden Gods toevertrouwd’, schrijft de apostel der heidenen aam de christenen in de hoofdstad van het Romeinse Rijk (Romeinen 3:2). Ook de oorspronkelijk in het Hebreeuws gestelde Evangelieverhalen zijn via het Joodse volk tot ons gekomen, in de schatkamer van de Hebreeuwse taal. In een eeuwenlange geschiedenis van lijden en verdrukking hebben zij deze taalschat voor ons bewaard. Alleen in saamhorigheid met hen zullen de Hebreeuwse oerwoorden voor ons weer gaan oplichten en kunnen ze een verrassend perspectief bieden op radicale bevrijding en vernieuwing van mens en samenleving.
Les 2: Leren opnieuw de Bijbel te bestuderen: Bijbelwoordstudie
Israël kan ons leren de Bijbel te herwaarderen, de Bijbelwoorden opnieuw te wegen. Als geen ander is het Joodse volk gespitst op de betekenis van woorden, van elk Bijbelwoord apart. Men leest de Bijbel woord voor woord, want elk woord telt (ook letterlijk: men telt de woorden!). De. betekenis van het Woord Gods zit niet alleen in de zinnen, maar ook in de woorden zelf.
Dat is les 2. Van Israël kunnen we een nieuwe vorm van Bijbelstudie leren: de Bijbel* woord voor woord te lezen, elk Bijbelwoord apart te leren ontdekken door woordvergelijking en woordontleding. Woordvergelijking wil allereerst zeggen – en dat in feite een toegespitste vorm van het aloude ‘Schrift met Schrift vergelijken’- dat men een woord in een bepaald zinsverband gaat vergelijken met hetzelfde woord in een ander zinsverband. Dat kan soms een verrassende lichtval geven op het te onderzoeken woord en daardoor op de hele zin, waarin het functioneert. Bijvoorbeeld het eerste Bijbelwoord –בראשית be-ré’shít, dat wij vertalen met ‘in het begin’, komt o.a. ook voor in Exodus 23:19 en in Psalm 111:10, en daar betekent het achtereenvolgens eersteling en beginsel. Beide woordbetekenissen mogen in de vertaling van be-ré’shít meeklinken: ‘met beginsel (of met de eersteling) schiep God de hemel en de aarde’. Een vertaling die geheel in lijn ligt met heel de Heilige Schrift: door het Woord (hét Beginsel, dé Eersteling) schiep God de hemel en de aarde (Psalm 33: 6, Johannes 1:1 en Openbaring 3:14). De Joodse methode voor woordvergelijking is echter veel breder: men zoekt ook betekenisverband tussen woorden die minstens twee letters gelijk hebben. Zo legt men in de Hebreeuwse taaltraditie verband tussenגלה gáláh, in ballingschap gaan, verdwijnen, geheel opgaan in de volkerenwereld én גאל gá’al, vrijkopen, bevrijden: Israëls ballingschap betekent nooit het definitieve einde, nooit zal het geheel opgaan in de volkerenwereld en verdwijnen als volk, wat Israëls vijanden beogen (Psalm 83:5). Waarom niet? Omdat Israëls God niet los laat wat Zijn Hand begon, Hij koopt Zijn volk vrij (Jesaja 43:1-3).
Woordontleding wil zeggen dat men ook let op de onderdelen waaruit een woord is opgebouwd. Allereerst op de letters, want elke Hebreeuwse letter heeft een naam (en dus betekenis) die kleur geeft aan een woord. Zo begint het tweede Bijbelwoord ברא bárá’, scheppen met de letter Beth. De Beth is de tweede letter van het Hebreeuwse alfabet en betekent niet alleen ‘huis’ maar vertegenwoordigt tegelijk ook getal twee. God schept door te scheiden, door in tweeën te scheiden: hemel én aarde, land én water, man én vrouw, Shabbat én weekdagen. En deze schepping is een tehuis voor mens en dier, met in het centrum een Huis voor God Zelf.
Behalve op de letters, let de Joodse Bijbelwoordstudent erop of in het betreffende woord mogelijk nog een ander woord schuil gaat. De Joods taaltraditie leert ons bijvoorbeeld dat in het woord ציוןTsion - Tsion is de Bergtop waar eens alle volken zullen samenkomen om te horen naar de Goddelijke Onderwijzing (Jesaja 2:1-4) - het woord יון Jáwan schuil gaat. ‘Jáwan’ is de Hebreeuwse naam voor Griekenland, en Griekenland staat voor kennis en kunst, voor filosofie en natuurwetenschappelijke kennis én voor literaire kunst en kunstzinnige vormgeving. Volgens de Hebreeuwse traditie wil deze woordsamenstelling - ‘jáwan’opgenomen in het woord Tsion - ons zeggen dat Jáwan/Griekenland als wegwijzer en voortrekker der volken pas tot zijn recht komt als het zich verbindt met Tsion. In Genesis 9:27 staat dat ‘Jáwan moge wonen in de tenten van Sem’. Dat is een Goddelijke raadgeving, een advies van de Overkant. Als Jáwan zich koppelt aan Tsion, als het uitgangspunt voor kennisverwerving en kunstbeoefening ligt in het Woord en de lofprijzing van Israëls God, zullen kennis en kunst, wetenschap en filosofie, literatuur en kunstvaardigheid zich ten volle kunnen ontplooien. Als Jáwan, de Griekse geest, zich echter verzelfstandigt, wegtrekt uit de tent van Sem, gaan kennis en kunst, wetenschap en literatuur etc. ontaarden en hebben ze een verderfelijke en vernietigende uitwerking**. Niet alleen op mens en milieu, maar ook op het verstaan van Gods Woord. De Grieks gestempelde kerkelijke leer en de Grieks gekleurde Bijbelwetenschappen hebben de Bijbel in veel opzichten ontkracht en het antisemitisme aangewakkerd. Een cultuur, een wetenschap, een theologie die zich afkeert van Tsion, krijgt afkeer van Tsion, gaat haatgevoelens koesteren. In de afkeer van Tsion ligt de wortel van het antisemitisme.
* Volgens Joodse visie is de Bijbel een literair kunstwerk van Hoger Hand, waarbij elk woord, zelfs elke letter op z(Z)ijn plaats staat.
**Wanneer de kunstbeoefening niet meer geworteld is in Tsion, niet ontspringt aan het Woord en de Geest van Israëls God, en niet meer gericht is op de eer van Zijn Naam, slaat de doelstelling onwillekeurig terug op de kunstenaar zelf en verwordt het creatieve handelen tot een vorm van zelfbevrediging. De psychiater Erich Fromm stelt dat er een complexe relatie bestaat tussen creativiteit en narcisme (‘The anatomy of human destruction’, pag. 229).
3. Leren meerlijnig te denken
Anders leren denken kent nog een tweede aspect: meerlijnig leren denken. Ons Westerse denken, onder invloed van de Griekse geest, verloopt meestal éénlijnig, waarbij we van de ene stap logisch naar de andere gaan om dan uit te komen bij een duidelijke slotsom, een helder éénduidig standpunt: ‘zo is het en niet anders, en wie het niet met ons eens is die heeft het mis of die is achterlijk’. We houden van rechtlijnige, éénlijnige redeneringen en hebben de grootste moeite met zaken of thema’s die niet in één formule te vatten zijn, waar meerdere aspecten aan zitten. Daarom hebben we ook vaak moeite met de Hebreeuwse Bijbel of beter: met de God van de Hebreeën. Want Hij, de Altijd Aanwezige is veelzijdig, niet in één begrip te vatten. Hij is barmhartig, Hij is mateloos goed, onbegrijpelijk genadig: Hij neemt onze zonden op Zich en draagt ze weg naar de zee van eeuwig vergeten. Dat is één lijn. Maar Hij is ook rechtvaardig, betrouwbaar, Hij vergeet nooit wat Hij ooit heeft gezegd, nooit wat Hij beloofd heeft of waarvoor Hij ons gewaarschuwd heeft. Hij is huiveringwekkend rechtvaardig, Hij doet wat Hij gezegd heeft, Hij komt met Zijn gericht over Sodom en over de Kanaänitische bevolking, als de ‘maat van hun zonden vol’ is! Dat is de andere lijn. Voor de ellende in de wereld kan men God niet verantwoordelijk stellen. Dat is één lijn. ‘Maar er is ook niets’, aldus rabbijn Brodman,‘dat niet van God komt’.
Deze meerlijnigheid van de Hebreeuwse Bijbel weerspiegelt zich ook in het unieke Hebreeuwse-Aramese schrift: het zogenaamde kwadraatsschrift of vierkantsschrift. Ons schrift, althans ons schrijfschrift, verloopt in éénlijnige, ronde vormen als weerspiegeling van ons rechtlijnige, logische denken. Het Hebreeuwse schrift daarentegen is hoekig, meerlijnig net al het Hebreeuws Bijbelse denken.
Meerlijnig denken, vierkant, hoekig is typisch Joods denken. Het typeert de hele Joodse overlevering, die geen gesloten denksystemen kent, zoals de Christelijke theologie, maar die een verzameling is van diverse gespreksverslagen met uitspraken die vaak tegengesteld zijn. Zo staat de mening van rabbijn Hillel tegenover die van Shammaj, beide vertegenwoordigen een andere lijn. Van de Joden leren betekent zich oefenen in een voortdurend gesprek met wat van de Overkant naar ons toe gekomen is en wat zijn neerslag gevonden heeft in de Hebreeuwse Bijbel.
Les 4: Leren de aarde te heiligen, te bedienen en te bewaren.
Een unieke situatie voor het Joodse volk
Het Joodse volk verkeert in een unieke situatie. Er is geen ander volk op aarde dat door God zelf zo duidelijk een stukje van Zijn aarde is toegewezen als een woonplaats voor altijd. Sterker nog, het Joodse volk mag wonen op een stukje aarde dat God speciaal als Zijn eigendom beschouwt. De hele aarde is van Hem, maar op het land dat eerst aan één van Noach’s kleinzonen toebehoorde, aan Kanaän, heeft God de Schepper speciaal beslag gelegd: ‘Mijn Land’ (Joël 3 vers 2: ‘en Mijn Land hebben zij verdeeld’). Dit stukje aarde op het snijpunt van drie continenten met de Berg Tsion in het centrum is ook Zijn speciale Woonplaats: ‘Want de HERE heeft Tsion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: dit is Mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, haar heb ik begeerd (Psalm 132: 13,14). Het Land Kanaän, met Tsion in het centrum en met het volk Israël als Zijn hoveniers of grondpersoneel, is Gods startplaats voor de herschepping, de heiliging en de bescherming van heel Zijn aarde.
Een goede hovenier
Het Joodse volk heeft bewezen een goede hovenier te zijn voor het land Kanaän. Dit stukje land waar praktische alle landschappen die de aarde rijk is, aan elkaar zijn geschakeld – bergen en diepe dalen, landbouwgrond en woestijn, meer en strand – is eeuwenlang door andere volken bewoond, letterlijk: uitgewoond, onstellend verwaarloosd. In 1905, nog maar net 100 jaar geleden, schreef dr. Abraham Kuyper in zijn reisverslag over verlaten steppen en dampende moerassen.
In de vorige eeuw hebben Joodse pioniers deze eeuwenlang verwaarloosde aarde van het hun Beloofde Land totaal hersteld. Dorre steppen, ja grote delen van de Negevwoestijn zijn gaan bloeien en dampende moerassen zijn herschapen in vruchtbare akkers.
Als geen ander volk heeft het Joodse volk een uitzonderlijke liefde getoond voor dit hun Beloofde stukje aarde.
De ellende van onze moderne stadscultuur
Wat is hier de les? Het gaat niet goed met onze aarde. Dagelijks gaan wereldwijd vele hectares kostbare landbouwgrond verloren door onzorgvuldig en ondeskundig gedrag. Al meer dan zestig jaar is er strijd vanuit de moslimwereld om het bezit het oude Kanaän, maar intussen dringen vooral juist in de moslimlanden de woestijnen op. Alleen al in Afrika gaat elk jaar door verwoestijning een stuk akkerland verloren zo groot als de omstreden ‘Westbank’, het hartland van Kanaän. Wereldwijd laten jaarlijks vele duizenden boeren Gods goede aarde in de steek en trekken naar de krottenwijken in propvolle steden met alle ellende van dien. Het woord ‘ellende’ betekent letterlijk: ‘el= ex= uit het land zijn. Vanuit die Afrikaanse en Aziatische ellende zoeken jaarlijks tienduizenden hun heil in het overvolle Europa met alle nieuwe ellende van dien. Het is een schrijnend gegeven dat ruim veertig jaar geleden Joodse deskundigen, de ‘groenmakers van de Negev’ die in de Sahellanden de Afrikaanse bewoners ondersteunden in hun strijd tegen de opdringende Sahara- woestijn, onder druk van Arabische Liga, het land werden uitgezet.
* De Hebreeuws-Bijbelse cultuur met zijn liefde en hoop voor deze aarde staat lijnrecht tegenover de Hellenistische Grieks-Romeinse cultuur die een dubbelhartige houding heeft tegenover de aarde en het aardse: enerzijds tracht men de aarde te beheersen, te benutten en zo nodig in eigen belang uit te buiten, tot aan totale verwaarlozing, en anderzijds tracht men de aarde en het aardse te ontvluchten door omhoog te streven, via geestelijke mystieke oefeningen.
De aarde heiligen: alles min één
Het Joodse volk doet meer dan alleen Gods aarde bewerken, bezaaien en beplanten. Als geen ander volk is Israël een eredienend volk dat de tijd en de aarde door dankzeggingen (bêrákhóth) verbindt met God de Schepper. Anders gezegd het is een volk dat als geen ander de aarde heiligt = met de Heilige in verbinding brengt. Met een krans van dankzeggingen, dagelijks, wekelijks en in de loop van het jaar worden de aarde en haar opbrengsten omringd en opgetild tot God de Gever: ‘Het komt alles van U en wij geven het U uit Uw Hand’(1 Kronieken 29:14).
Dit heiligen van de aarde is geen Joodse uitvinding, maar een unieke opdracht van Hogerhand. Om het besef levend te houden, dat Israël woont op gegeven en geleende grond heeft God in Zijn Onderwijs aan Mozes op de Berg Sinaj voorgeschreven om de eerstelingen van de oogst en van het vee, en de tienden van het inkomen voor Hem te reserveren. Deze Mozaïsche richtlijnen zijn te zien als een nadere uitwerking van het gebod aan Adam in de Hof van Eden: ‘alle bomen zijn voor U, behalve één’ (Gen.2:17). ‘Alles min één’ is de ‘simpele samenvatting’ van heel de Mozaïsche Torah: alle opbrengsten van de aarde, van het land en het vee zijn voor U, behalve de eerstelingen, alle inkomsten, behalve één tiende, alle dagen behalve één, de Shabbat.
* De bediening (`abhodáh) van de aarde houdt de schepping in het Krachtenveld van de Schepper. Het centrum voor deze bediening, voor dit eerbetoon aan de Schepper is Jeruzalem met Tsion in het centrum. Jeruzalem is de Hofstad en de Lofstad. De Hófstad waar Israëls God als Koning resideert en de Lófstad waarheen de volken kunnen samenstromen om deze Immanuël, deze ‘God met ons’ te loven en te prijzen (Micha 4:1-4).
Een volk van Godlovers
Het Joodse volk is het enige ter wereld dat zich zo strikt mogelijk aan deze regels tracht te houden. Het is met recht een volk van ‘God-lover’: de naam Jood/Jêhudáh/Juda komt van het werkwoord jádáh: loven, prijzen. Het Joodse volk dankt God niet alleen dagelijks en wekelijks in duizenden synagogen voor Zijn goede aarde, maar ook daarbuiten in het openbaar en thuis aan de huistafel. Men dankt voor het goede land, voor Erets Jisraël en ook voor de zee. Als men na lange tijd voor het eerst weer de zee ziet, zegt men een bêrakháh: Barukh ‘Atah ‘Adonal ‘Elóhenú, Melekhj ha‘ólám ha`oséh ma`aséh bêré ‘shíet: (Gezegend zijt Gij HERE onze God, Koning der wereld Die het Werk van in het begin (of: door het beginsel = door het Woord) gemakt heeft).
De publieke dankzegging krijgt volksbreed gestalte in de volksfeesten van voor- en najaar: Pesach is behalve bevrijdingsfeest een dankfeest voor de beginnende graanoogst, het Wekenfeest/Shabhu`oth houdt de gedachtenis gaande aan de ontvangst van de Torah op de Sinaj, maar tegelijk viert men het einde van de graanoogst. Het Sukothfeest is in feite het toppunt van de publieke dankzegging: een vrolijk volksfeest ter herinnering aan de Intocht in Erets Jisraël en tegelijk de viering van het einde van wijnoogst. Maar het hart van het Joodse vierende, dankzeggende volksleven klopt aan de huistafel, in de gezins en familiekring. De hele reeks van bêrákhóth spitst zich toe in de dagelijkse dankzegging aan over het brood en in het weekend over de wijn: Báruch ‘Atáh ‘Adonaj ‘Elohénú, hamotsí lechem min ha’arets – haboréj perí hagaven (Gezegend zijt Gij Die het brood uit de aarde doet voortkomen…. Die de vrucht van de wijnstok schept). Het Joodse leven is een volwassen, mondige volkssamenleving: een volks-‘samenloving’.
Wat is voor ons de les?
Vroeger kende men in ons land de jaarlijkse dankdag voor het gewas, maar in onze geïndustrialiseerde en geseculariseerde samenleving is dit allang niet meer een volksbrede dankzeggingsdag. In het openbaar danken voor een lunch of diner is bijna al gênant geworden en in vele gezinnen is zelfs het stil gebed voor het eten versleten. Wellicht houdt dit ook verband met het merkwaardige feit dat het uitspreken van de dankzegging over brood en wijn - in het Jodendom hét privilege van ouders en familieoudsten (presbyters) - in kerkelijke kring hét monopolie is geworden van priesters en predikanten. De jaarlijkse Christelijke feestdagen hebben nog wel een rijke geestelijke inhoud, maar met de loskoppeling van de Joods-Bijbelse feesten, is ook de koppeling met de aarde verloren gegaan.
Het terugdringen van de dankzegging uit het publieke domein, de ‘ont-loving’ van onze moderne samenleving, hangt vooral ook nauw samen met het opdringen van de oud-Hellenistische stadscultuur. We leven nog wel ván de aarde, maar in overgrote meerderheid niet meer óp het land. Vrijwillig hebben wij ons verbannen van het ons beloofde land en hebben we ons laten opsluiten in betonnen steden, in torenhoge flats en massale kantoorgebouwen. Nog maar ruim een eeuw geleden woonde en werkte meer dan 80% van de bevolking wereldwijd op het platteland, nu minder dan 20 %, terwijl het platteland zelf ook steeds meer verstedelijkt en verindustrialiseert. We leven in een oververstedelijkte en oververtechniseerde cultuur waarbij in het publieke domein geen plaats meer is voor God onze Schepper en Bevrijder. De aarde is niet meer ons leef- en werkgebied, alleen nog ons ontspanningsterrein waar we in onze vrije tijd even kunnen ‘luchten’.
* Door het vasthouden aan haar monopoliepositie wat betreft de uitoefening van de publieke eredienst en de dankzegging over brood en wijn, is de Kerk medeschuldig aan de ont-loving en de verdere secularisering van onze moderne samenleving. Dit in tegenstelling tot de Israëlische samenleving waar de Shabbat en de jaarlijkse feestdagen bij wet geregeld zijn en ook volksbreed, in diverse gradaties, gevierd worden. Bovendien heeft in het hele onderwijs in Israël de Bijbeltekst-studie een voornamen plaats, ook op de openbare scholen. Het is een examenvak waar men op zakken kan.
De natuur uit zijn verband?
Het is onmiskenbaar dat de Torah, het originele programma van God de Schepper, is afgestemd op een kleinschalige, agrarisch-ambachtelijke samenleving waar een centrale plaats is ingeruimd voor de dankzegging, voor de heiliging van de aarde, die schepping met de Schepper verbindt. Er is Bijbels gezien alle reden om ons af te vragen of de onrust in de aardkorst en de klimatologische onevenwichtigheid kan samenhangen met het leven in onze moderne seculiere stadssamenleving zonder publieke dankzegging, zonder dat de aarde en haar opbrengsten worden opgetild tot God de Schepper. Door het heiligen van de aarde, door woorden van dankzegging blijft de band met Boven in tact.
De profeet Jeremia schreef aan de Joodse ballingen in Babel: ‘bouwt huizen, legt tuinen aan en zoek de vrede voor de stad’ (29:5-7). Maar later profeteert hij over de ongeneeslijke ziekte van de Babylonische godloze stadscultuur en roept hij de ballingen op om Babel te verlaten en terug te keren naar Tsion: ‘Vlucht uit Babel, red uw leven, kom niet om in zijn ongerechtigheid’ (51:6-10)
***
LESSEN UIT HET JOODSE LEVEN
Vervolg in het kort
Hieronder een kort overzicht van de overige 6 lessen.
Les 5. Leren de tijd te heiligen, te besnijden: We leven niet alleen op Gods aarde, maar bewegen ons ook in Gods Tijd. Hij heeft, om ons dit te doen beseffen en ons bewust te doen leven in Zijn Tijd/Aanwezigheid, bepaalde tijden afgezonderd, geheiligd, speciaal met Zichzelf verbonden: de dagelijkse getijden van morgen en avondgebed, de wekelijkse Shabbat en de jaarlijkse feesttijden van Pesach, Shawu`oth en Sukoth (Pasen, Pinksteren en Loofhuttenfeest). Wij rommelen vaak wat aan met de tijd of laten onze tijd structureren door de verplichte werktijden, schooltijden of vakantietijden. Van Israël kunnen wij leren om dagelijks in Gods Tijd te verkeren en met name ook de jaarlijkse feesttijden die wij gekoppeld hebben aan heidense feesten, weer te verbinden met Zijn Tijd. In Leviticus 23:2 staat uitdrukkelijk dat de jaarlijkse feesten geen Joodse feesten zijn, maar Gods Feesten: ‘de feesttijden die Gij zult uitroepen (…) zijn Mijn Feesten’.
Les 6. Leren de huistafel centraal te stellen als altaartafel en studietafel: De Joodse traditie ziet de huistafel in het verlengde van het altaar in de tempel. Vaders en moeders zijn priesters in de huistempel. Niet de diensten in synagogen, maar het dienst doen aan de huistafel was 2000 jaar lang de belangrijkste factor voor het overleven van het Joodse volk en het bewaren van de Joodse identiteit.
Het is wijs, en dat is de les van Les 6, om in de leer te gaan bij het Joods orthodoxe gezin. Willen we overleven in de huidige en komende crisis, dan zal alle nadruk moeten liggen niet allereerst op het aantrekkelijk maken van de Zondagse kerkdiensten, maar op een radicale vernieuwing van de dagelijkse huisdiensten, op het toerusten en mondig maken van de ouders als priesters en priesteressen in de huistempel, rond de huistafel.
7. Leren te genieten van maaltijden, maar niet altijd te eten ‘wat de pot schaft’ en niet alles gelijktijdig
In het Jodendom zijn maaltijden geen bijkomstigheden in de zin van ‘we moeten even eten on te overleven’, maar ze zijn essentieel en fundamentele voor het welzijn van de hele samenleving. Het samen genieten van een feestelijke maaltijd is een onmisbaar middel voor het in standhouden van de samenhang in gezin, familie en volk. Dit genieten is echter gedisciplineerd: men eet niet alles wat lekker lijkt. De eettafel is een ‘altaar’ voor uitsluitend reine spijsoffers (Leviticus 11). Men eet ook niet alles gelijktijdig, maar er wordt steeds een scherpe scheiding gemaakt tussen melk vleesspijzen*. Is deze gedisciplineerde Joodse eetcultuur ook een les voor ons? In onze moderne welvarende en hedonistische samenleving waarin het genieten op zich haast een vorm van religie geworden is, is juist het gemis aan eetdiscipline een belangrijke oorzaak van veel gezondheidsklachten.
8. Leren te scheiden wat God gescheiden heeft: Wij zijn geneigd in onze huidige Grieks gestempelde cultuur alles en allen gelijk te schakelen en met elkaar te vermengen, omdat alles in wezen gelijk zou zijn. Alle mensen, alle volken zijn hetzelfde, want alles en allen hebben deel aan het ene Grote Goddelijke Geheel, het Alles Omvattende ‘Al’. Het Joodse leven daarentegen is gestempeld door Gods scheppend Handelen: God schept door te scheiden, wat niet gescheiden is, laat zich niet verbinden. God maakt scheiding tussen hemel én aarde, tussen de mens én de overige schepselen, tussen man én vrouw, tussen Shabbat én weekdagen, tussen Israël én de volken. God Die Zelf met niets en niemand te vergelijken is, heeft ons gescheiden geschapen, ieder apart als een uniek wezen. We zijn geen gelijke druppels weg gespat uit de Grote Goddelijke Oceaan, geen gelijke vonksjes uit het Goddelijke Vuur. Ieder mens is een schepping apart en staat in een aparte relatie tot God als Schepper en Bevrijder.
9. Leren van de Joodse medische kennis en wijsheid die ervan uitgaat dat God de Schepper ook dé Geneesheer is Die tegelijk met Zijn schepping alle geneesmiddelen geeft.
Eén van de beroemdste Joodse artsen is Maimonides die ruim 800 jaar geleden leefde, in de tweede helft van de 12e (1135-1204). Zijn stelregel was: ‘Voeding kan Uw geneesmiddel zijn en Uw geneesmiddel Uw voeding’, en: ‘Geen enkele ziekte die met dieetvoeding kan worden genezen, dient met andere middelen te worden behandeld’. De volgende regels zijn enkele zinnen uit het gebed dat deze dokter dagelijks bad voor hij patienten ging behandelen’:
‘U heeft gezegend Uw aarde, Uw rivieren en Uw bergen met genezende substanties. Zij stellen Uw schepselen instaat om hun het lijden te verminderen en hun ziekten te genezen.
Verlicht mijn geest, opdat het erkent wat zich voordoet en dat het kan begrijpen wat afwezig of verborgen is.
Almachtige G-D, U heeft het menselijk lichaam met oneindige wijsheid geschapen. Tienduizend maal tien duizend organen heeft u daarin vereinigd, die onophoudelijk en harmonieus samenwerken om het geheel te beschermen in al zijn schoonheid: het lichaam dat het instrument is van de onsterfelijke ziel/geest
Zonder Uw hulp zal zelfs de geringste zaak niet slagen...
* Voor informatie over het volledige gebed kan men contact opnemen met
10. Leren volop mondig te worden: Er is geen volk dat zo mondig is als het Joodse volk: elk Joods kind kan de Bijbel lezen in de grondtekst en elke Joodse puber krijgt op school, ook op alle seculiere scholen grondig onderricht in de literaire tekstverklaring van de Bijbel. In bepaalde orthodox Joodse basisscholen kunnen kinderen zelfs al in de 2e klas (= in groep 4 bij ons) de commentaren van de Joodse Bijbelgeleerde Rashi lezen in het moeilijke Rashischrift, een kundigheid waartoe doorsnee dominees niet eens in staat zijn. Vergeleken bij het hoge peil van het Joodse onderricht is ons Bijbelonderwijs op de scholen nog in een ‘barbaars’ stadium.
Hebreeuws leren maakt mensen mondig = onafhankelijk van geleerde tussenpersonen. Engels leren op de basisschool - wat hier en daar zelfs al gebeurt in groep 1 - is goed, maar Hebreeuws leren is beter. In veel Joodse kringen krijgen kinderen al Hebreeuwse les vanaf het derde levensjaar. Hebreeuws leren geeft het opgroeiende kind een rechtstreekse toegang tot één va de allerbelangrijkste cultureel literaire bronnen ter wereld. Als geen ander boek kan de Hebreeuwse Bijbel structuur geven aan het zich ontwikkelende denken van jongen mensen. Als geen ander geeft dit Boek hoop in tijden van verwarring, hoop op radicale bevrijding en vernieuwing van mens en samenleving. Als geen ander geschrift geeft de Hebreeuwse Bijbel, Torah, Psalmen en Profeten, originele en concrete richtlijnen voor de ordening van de tijd en het aardse bezit.
Weliswaar zijn er ook tal van goede vertalingen, maar geen enkele vertaling kan de volheid en de veelzijdigheid van de Hebreeuwse Brontekst bevatten. Er is een Joods gezegde: ‘wie de Hebreeuwse Geschriften in vertaling leest, is als iemand zijn moeder kust door een zakdoek heen’.
*Een eerste opstap voor Hebreeuws onderwijs voor jong en oud is de buitenschoolse cursus ‘Hebreeuws in Zes dagen’, een ontwerp van Studiehuis Reshiet, te bestellen via de website www.studiehuisreshiet.nl , maar ook te verkrijgen via o.a de Pelgrim en Ichtus boekwinkels. Wie in eigen omgeving een cursus wil organiseren, kan contact op nemen met Studiehuis Reshiet via mail : info@studiehuisreshiet.nl 023-7511072 of een kaartje sturen naar postbus 500, 2100 AM Heemstede.


